Reisblog SLOW LIVING

7. Thuiskomen

Warns is de plaats, waar we twaalf jaar een huis hadden. Het is tevens de plek waar de roots van Rienk liggen. Hij komt weliswaar uit Balk, maar zijn ouders, grootouders en diverse ooms en tantes zijn in Warns geboren en opgegroeid. Dit is dan ook de reden dat we tijdens ons 'zwerversbestaan' voor een huisartsenbezoek nog altijd naar Warns gaan en niet naar Koudum, Weidum of Sint-Annaparochie waar we veel korter hebben gewoond. Het voelt hier toch nog steeds een beetje als thuiskomen.

Na een nachtelijke stop tussen de nu nog kale en natte velden bij een tulpenkweker in Slootdorp en een lunch op de Afsluitdijk, komen we vroeg in de middag aan in winderig Warns. Niet zo vreemd dat de wind om de camper heen giert en we de masten van de zeilboten horen fluiten, want het waait eigenlijk bijna altijd in Warns. Naast ons huis was een pad waar de wind - aangevoerd vanuit het IJsselmeer - vrij spel had en het daardoor vaak een bijna onmogelijke opgave was om de daar geparkeerde auto te laden en lossen.

De camperplaats maakt deel uit van een jachthaven en ligt aan het Johan Frisokanaal, dat uitmondt in het IJsselmeer. Warns telt maar liefst vijf jachthavens, waardoor bijna heel varend Nederland en Duitsland dit verder vrij onbeduidend dorpje wel kent. Naast de brug ligt de gemeentehaven met het schip Noardermar die tijdens de donkere maanden 's avonds de lampjes ontsteekt. De verlichte boot is slechts een onderdeel van ons mooie uitzicht daar. We genieten van het hoog opspattende water, de nu nog schaars voorbijkomende bootjes, de lichtjes op het water, het mooi vormgegeven restaurant De Pyramide en - met een beetje geluk - de bloedmooie zonsondergangen.

Deze keer staat er wel een heel stevige wind, eigenlijk meer een storm die drie dagen en nachten voortduurt. Het lijkt er veel op dat we zelf in een boot zitten, zo hard deinen we op en neer. 's Nachts liggen we te schudden in ons bed en tot overmaat van ramp gaat de wind draaien en worden we wakker gehouden door een enorm geklepper, waarvan de oorzaak een tijdje onduidelijk blijft. Bij nadere inspectie blijkt het om het klepje boven de stekkerdoos van het elektriciteitssnoer te gaan.

Overdag maken we lange wandelingen; naar de supermarkt in Stavoren en over Ymedaem naar Molkwerum, in het Fries Molkwar geheten. Dit dorpje, gebouwd op acht eilandjes door water van elkaar gescheiden, wordt ook wel het Venetië van het Noorden genoemd. Verder is Molkwerum beroemd om de Molkwarder Koeke die het midden houdt tussen koek en cake.

Onderweg komen we twee bekenden tegen en op weg naar de huisarts passeren we een huisje waar een heerlijke geur vandaan komt. De vrouw des huizes komt net met een pannetje onder haar arm de deur uit. Ze groet ons vriendelijk en vertelt dat ze soep naar wat oudere mensen in de buurt gaat brengen.

Op haar vraag 'Wonen jullie ook in Warns?', antwoorden wij dat dit inderdaad voor een paar dagen het geval is.

'Och, dat is ook wat, en dan nu met dit weer? Hebben julie wel te eten?', reageert ze zorgelijk als we de situatie hebben uitgelegd. 'Ik heb helaas niet genoeg, anders hadden jullie ook best een pannetje soep van mij mogen hebben, hoor.'

Als dat geen thuiskomen is!

Na Warns rijden we door naar het appartement in Sint Annaparochie met als belangrijkste missie het ophalen van de fietsen zodat we wat mobieler worden. Verder nog wat nepplantjes in een tas doen, zodat het rijdend huisje nog meer als thuis gaat voelen, en dan door naar Lekkum. De camperplaats daar ligt bijna tegen Leeuwarden aan, de stad waar onze dochter woont. Het is redelijk weer, zodat we met open deur en ramen op veilige afstand van elkaar in ons huis op wielen kunnen zitten. Zij heeft de camper nog niet gezien en is natuurlijk super benieuwd. Heerlijk om elkaar na een paar maanden beeldbellen weer eens even in het echt te kunnen zien. De volgende dag gaan we met z'n drietjes het centrum in en bestellen een pizza die we op de trappen van het gerechtsgebouw opeten. Ook dit voelt als thuiskomen: met onze dochter in de stad waar we voorheen heel vaak kwamen.

Als we na drie nachten en twee heerlijke dagen vertrekken, hoeven we maar voor twee nachten te betalen omdat het sanitair nog gesloten is. Met deze tegemoetkoming bovenop alle andere goede ervaringen in Friesland kan ons gevoel van thuiskomen helemaal niet meer stuk.

Commentaren: 0

6. Een gesloten slot

Tot nu toe hebben we alleen camperplaatsen met bossen gehad. En hoe leuk ik bossen ook vind, het wordt nu wel eens tijd voor iets anders. Dat anders vinden we in Gelderland bij Slot Loevestein, helemaal aan het einde van de Schouwendijk in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Daar ligt een groot parkeerterrein met plaats voor vier campers. Helaas allemaal bezet. Jammer, dan alleen maar een lunch op de gewone parkeerplaats met een wandeling en daarna verder zoeken naar een overnachtingsplek.

We hebben de tafel net gedekt als er op de deur wordt geklopt. Het is de eigenaar van de laatste geparkeerde camperbus die zegt 's avonds om half zeven te willen vertrekken. 'Als ik wegga, geef ik wel een seintje, dan kunnen jullie mooi op mijn plekje.' Dat is aardig!

Na het eten dus nog volop tijd voor een wandeling. Eerst maar eens langs het kasteel, beroemd om de ontsnapping van Hugo de Groot in een boekenkist. Het is uiteraard gesloten vanwege corona. Is niet heel erg, want er is genoeg te zien in dit prachtige natuurgebied. We genieten van de immens lange vrachtschepen die voorbij varen. Ze glijden langs de bijna volgelopen uiterwaarden, waar de Schotse hooglanders grazen tussen kale wijduitstaande bomen. Hun lange afgeknapte takken liggen op de drassige grasbodem. Er is zelfs een strandje. Aan de kant van het slot liggen diverse zandbanken, waarop aalscholvers hun gespreide vleugels drogen.

Het pad houdt op. Aan de overzijde ligt Woudrichem, waar je normaal gesproken met een pontje naartoe kunt, maar dat nu uit de vaart is genomen. Een pontificaal opgehangen doorgezaagde gasfles met klepel wacht geduldig op betere tijden. We lopen terug, langs de parkeerplaats en gaan de andere kant op, waar de uiterwaarden bijna helemaal onder water staan. Alleen de bomen houden het van boven droog, hun wortels angstvallig vastgeketend in kleine stukjes land die als eilandjes boven het water uitsteken. Een mooie plek.

Een andere mooie plek is Vijfhuizen, dat we hierna aandoen. Daar ligt langs de N205 het gelijknamige camperpark met een rechtstreekse busverbinding naar Haarlem, Schiphol en Amsterdam. Het is een gigantisch terrein met ruime camperplaatsen van maar liefst vijftig vierkante meter. Eenmaal per jaar doet het veld dienst als parkeerterrein voor bezoekers aan de Expo Haarlemmermeer, het glazen expogebouw dat tijdens de Floriade 2002 werd opgericht en aan de overkant van de weg staat. Nu is het ingericht als coronatestlocatie. Er ligt een groot natuurgebied omheen: de Groene Weelde, waarvan een deel het voormalig Floriadeterrein omvat met de Big Spotters Hill. Deze vierkante heuvel is gemaakt van zand en aarde dat bij de aanleg van sloten en vijvers voor de Floriade is vrijgekomen. De tweeënveertig meter hoge piramide met daarop de Ruimtetempel van kunstenaar Auke de Vries diende als uitzichtpunt. Nu is de heuvel vooral populair voor heuveltrainingen. Ik sta perplex over het gemak en de snelheid waarmee de joggers de trap bedwingen met treden van niet meer dan de breedte van een trottoirband. De Ruimtetempel is inmiddels door storm verwoest en heeft plaats gemaakt voor de Mainport van Lehner en Gunther architecten. Een bouwwerk van vijftien meter hoog met boogvormige openingen op elke windrichting.

De groene Weelde sluit aan op het Haarlemmermeerse bos dat via een brug over de N205 bereikbaar is. Ik loop tot het futuristisch ontworpen restaurant in de vorm van een vliegtuig of een vis met geopende bek. Voor mij kan het allebei. Het restaurant ligt aan een woest kolkende vijver. Een frisse krachtige wind zwiept het water omhoog. Het wordt tijd om terug te gaan naar de camper, want ik heb er inmiddels al een fikse trippel op zitten. Bovendien zit er sneeuw in de lucht.

De aanleg van het park verrast me. Hoewel in dit jaargetijde de natuur nog dood en dor is, zie ik de kleurrijke borders zo voor me. Ik ga over een kronkelig houten pad, dwars door een andere waterpartij heen en zie in de verte een bankje met drie stenen mensen. Een oude man en vrouw. Ze zijn met elkaar in gesprek. Tussen hen in zit een jonger figuur met het hoofd omhoog, genietend van denkbeeldige zonnestralen. De eerste kleine sneeuwvlokjes van het jaar dwarrelen op hen neer. Aangekomen bij het camperpark blijf ik verrast staan. Een uiterst fragiele witte deken spreidt zich uit over het veld. Verspreid staan enkele verlichte kerstbomen. In combinatie met de lichten in de toppen van de hoogspanningsmasten en de lampjes langs de landingsbanen van Schiphol is mijn uitzicht sprookjesachtig en futuristisch tegelijk.

Commentaren: 1
  • #1

    rienk (vrijdag, 07 mei 2021 22:24)

    Wat prachtig verwoord, alsof je er zelf bij bent.

5. Witte kalk en een blog

Het schijnt dat we het witte stadje Thorn, in Limburg, al tweemaal eerder hebben bezocht, maar mij is alleen de eerste keer bijgebleven. We waren twaalfenhalf jaar getrouwd en wilden dat met onze kinderen, vijf en bijna twee jaar oud, een paar dagen in Thorn vieren. Helaas moesten we na één nacht alweer vertrekken. We sliepen in een hotel tegenover de Abdijkerk die hoog boven de witte huisjes uittorent. De jongste, normaliter de rustigste van de twee, had de hele nacht gehuild en geschreeuwd, en dat terwijl ze toch gewoon in een eigen campingbedje lag met haar vertrouwde knuffel en spuugdoekje. Het ontbijt de volgende ochtend voelde niet goed aan. De mensen keken ons boos en geërgerd aan, maar het meest boos was toch wel onze oudste die niet kon begrijpen dat het beter was als we terug naar huis gingen. Hij had zich zo op het uitje verheugd en helemaal niets gehoord van de herrie die zijn zusje maakte.

Nu slapen we op een van de drie camperparkeerplaatsen aan de rand van het stadje met aan de ene kant het zicht op de kerk en aan de andere kant op kasteelhoeve De grote Hegge.

Thorn staat dus vooral bekend om de markant witgeschilderde huizen, plus de monumentale panden en de authentieke geplaveide straatjes. Het stadje was achthonderd jaar een mini-vorstendom; een staatje met een eigen rechtspraak en munt. Hieraan kwam in 1794 een einde met de komst van de Fransen die een belasting invoerden op basis van de omvang van de ramen. Meer ramen in het huis betekende een hogere belasting. Voor wie dit niet kon betalen, metselde de ramen dicht. Die dichtgemetselde ramen worden ook wel de littekens van de armoede genoemd en om dit te verbloemen kalkte men de huizen wit. Een mooi verhaal...

Er is een bosachtig paadje tussen de parkeerplaats en de kasteelhoeve in. Zo loop je, voordat je in het centrum terechtkomt, om het plaatsje heen. In de kern aangekomen, blijven we staan voor het hotel, waar we achtentwintig jaar geleden logeerden. De uitbater van het ernaast gelegen restaurant veegt zijn stoepje schoon. We raken met hem aan de praat. Uiteraard is het ook voor hem in coronatijd geen vetpot. Hij hoopt met het to-go-tentje voor de deur zijn financiën enigszins bij te spijkeren, maar voorlopig is het buiten bitterkoud en heeft hij weinig klandizie. We lopen verder, langs de kerk en het kerkhof en komen op een plein, waar het op 13 januari met de grote kerstboom in het midden nog steeds feestelijk aandoet. Daarna vervolgen we onze weg via buitenpaadjes door bossen en over velden. Niet alleen Thorn zelf is heel mooi, maar de omgeving ook. Een boerderij met een open mesthoop tussen betonnen muren doet me denken aan Noord-Italie, waar we goede herinneringen aan hebben. We passeren een paar huisjes waar, afgezien van wat kalkrestanten, het wit vanaf is. Hopelijk blijft het bij deze twee woninkjes, anders zou Thorn zijn charme verliezen.

Twee dagen later verruilen we Limburg voor Brabant en doen we Vessem aan. Ook hier een nieuwe camperplaats. Veel boeren zagen het afgelopen jaar hun kans schoon hun land op deze manier als een nieuwe bron van inkomsten in te zetten. Er zijn meer camperaars dan ooit en iedereen leeft in zijn eigen bubbel. Hoe kun je de coronacrisis veiliger en plezieriger doorkomen? Een aantal van hen houdt een vlog bij. Rienk pusht mij dit ook te gaan doen, maar ik zie niet goed wat ik daaraan zou kunnen toevoegen. Ik vind de filmpjes op YouTube veel van hetzelfde. Een blog past me beter. Zit ook minder druk achter en is makkelijker uitvoerbaar, zeker wanneer we op plekken zonder elektriciteit staan en we dus zuinig moeten omgaan met de stroom en de laptop gesloten blijft.

Ook in Vessem kijken we uit over velden omzoomd door bossen en staat er een met kerstaccessoires gedecoreerd informatiehokje. De ontvangst is allerhartelijkst en omdat het woensdag is, krijgen we gratis soep. Een wasmachine met droger behoren nog niet tot de faciliteiten. Hiervoor moeten we naar Veldhoven, naar een tankstation vlak naast een landingsbaan. Daar staat een soort bushokje met twee machines, één voor acht kilo en één voor achttien kilo textiel, respectievelijk voor vier en acht euro te gebruiken, inclusief wasmiddel. De droger kost twee euro, maar dat is nep. Ik moet hem zeker drie keer laten draaien en dan nog is de was vochtig. Verder mis ik de lekkere frisse zeepgeur die toch kenmerkend is voor een schone was. Maar ik klaag niet. Stiekem vind ik het wel wat hebben als ik met mijn gewassen kleren door de striemende regen naar de camper loop, terwijl twee vliegtuigjes laag over me heen scheren.

Commentaren: 2
  • #2

    Ellie Schmitz (maandag, 03 mei 2021 19:11)

    OntZettend leuk dit te lezen, ook omdat ik alle plekjes ken die je beschrijft. Wat moet het toch heerlijk zijn zo’n vrijheid te hebben en het atelier bij de hand!

  • #1

    Sophie (maandag, 03 mei 2021 17:09)

    Heerlijk om jullie zo te volgen. Slow living zou mij ook wel passen.

4. Hondje in Limburg

Limburg blijkt niet de makkelijkste provincie te zijn om een camperplaats te vinden. Er zijn wel heel veel duurdere campings met tal van extra voorzieningen, maar dat is niet wat wij zoeken. Bovendien zijn de meeste in het winterseizoen gesloten. Uiteraard zijn er de camperapps en Google Maps voor het vinden van een geschikt plekje, maar ook die leveren vaak niet het bevredigende resultaat op. Toch lijken we na lang zoeken een leuk plekje bij een boer vlak bij Milsbeek te hebben gevonden. Het is nog wel een uitdaging om er te komen via de smalle weggetjes, die soms meer weg hebben van een fietspad dan van een autoweg. Halverwege zo'n fietspadachtige weg - een hoge dijk - ligt de eindbestemming. We rijden de steile helling af, het boerenerf op, met aan het einde een hek met een piepklein bordje 'Gesloten'. "Misschien een foutje", opper ik voorzichtig, terwijl ik naar het openstaande hek wijs. "Wellicht zijn ze het bordje vergeten weg te halen."

Afgaand op de rood aanlopende boer die plotseling uit het niets geïrriteerd komt aangerend, neem ik mijn woorden direct terug. "Kunt u niet lezen?", blaft hij ons agressief toe.

Blijkbaar zijn niet alle boeren met een camperplaats zo vriendelijk als we toe nu toe gewend zijn.

Eenmaal weer op de grote weg, vind ik via de app een nieuwe locatie. Hopelijk is die wel open, want het wordt al bijna donker en het is nog een uur rijden. Dan duikt in de schemer een bordje op met 'camperplaats'. We rijden om Milsbeek heen, en komen uit bij een drassig grasveld naast een eethuis. Met het risico dat we in de modder vast komen te zitten, besluiten we het er op te wagen.

Een goed besluit. Tegen een zeer laag tarief staan we helemaal vrij met een geweldig mooi uitzicht over groene velden en bossen. En met het restaurant naast ons, zijn we ook nog eens verzekerd van soep met pannenkoeken. Niet dat we er gebruik van maken, want de koelkast puilt uit van de boodschappen die we onderweg hebben gehaald. Als we dat eerder hadden geweten...

Naast het camperveld loopt een kronkelig pad, met aan één kant het begin van de bossen: het Duitse Reichswald. De weg vormt de grens met Duitsland. Je kunt er heerlijk wandelen, zo vredig. Het enige dat je hoort zijn vogels. We komen helemaal tot rust na de stressachtige zoektocht van de dag ervoor. We lopen door tot de afgravingen met in de verte de waterpoelen waar honderdtallen vogels bivakkeren. Vooral ganzen, zo te zien.

Na de wandeling duiken we verder Limburg in. Het doel is Helden, een plaatsje dat tegen Panningen aan leunt. Beide plaatsen liggen midden in de aspergestreek. Ook de camperplaats biedt uitzicht op een aspergeveld. In het groeiseizoen houdt de boer er rondleidingen en in het kleine winkeltje bij huis zijn het hele jaar door allerlei aspergeproducten verkrijgbaar.

Langzaam aan wordt het kouder, 's ochtends liggen de velden onder de rijp. Een stemmig contrast met de gezellige nog steeds aanwezige kerstversiering die juist warmte uitstraalt. Vooral het houten informatiehokje, dat door de verlichte ster veel weg heeft van een stal, doet knus aan. Het zijn aardige mensen waar we logeren. Ze zijn nog maar een paar maanden geleden gestart en hebben hart voor de zaak. Dat zie je aan de manier waarop ze het camperveld hebben ingericht. Super netjes en verzorgd. Helaas zit een burenruzie hen wat in de weg, waardoor de toekomstplannen voorlopig in de koelkast zijn geparkeerd. Maar het komt goed, zo lezen we drie maanden later. De aspergeboer mag met zijn campergebeuren uitbreiden.

Tijdens ons verblijf lopen we een paar keer door de Heldense bossen naar Helden en Panningen. Soms doen we een uitstapje met de camper, zoals naar Neer dat langs de Maas ligt en waar je via een hoge dijk naar de boulevard wandelt met uitzicht op immens lange vrachtschepen die voorbijgaan. Er is ook een klein haventje waar onder andere wordt gewerkt aan de herinrichting van een camperplaats. Andere uitstapjes zijn Roermond en Vlodrop, waar we per ongeluk de Duitse grens overschrijden. Gelukkig kunnen we direct keren op een van de drukke parkeerplaatsen met fruitstalletjes. In Roermond zijn de parkeerterreinen bij de Designer Outlet vanwege corona gesloten. Jammer, want dat was een handige plek geweest om het centrum te verkennen. We wijken uit naar de bouwmarkttereinen, drinken koffie in de camper en komen er al googlend achter dat het daarvandaan nog een behoorlijk stuk lopen is naar de stad. Ernaartoe fietsen zou een goede optie zijn geweest, maar de tweewielers staan nog in St.-Annaparochie...

Daarom de volgende dag toch maar weer een wandeling rond Helden. Dit keer kiezen we voor een andere kant; die van de Onderse Schans. Deze heeft de lokale bevolking in 1644 gebouwd als vluchtplaats tijdens de 80-jarige oorlog. We worden op onze tocht vergezeld door een klein zwart-wit hondje met lichtbruine oortjes en pientere donkere oogjes, dat ons blijft volgen hoe we ook proberen hem terug te sturen naar zijn huis, dat zich vlak bij de camperplaats moet bevinden. Het hondje heeft heel andere plannen en rent blij kwispelend voor ons uit, zich nauwelijks bewust van het verkeer dat voorbij raast. Het springt van de rechter- naar de linkerkant van de weg en weer terug. Automobilisten toeteren om het hardst en kijken ons verwijtend aan, maar wij krijgen geen vat op het beestje. Ten einde raad slaan we een drassig pad in waar geen verkeer is en het een stuk rustiger wandelen is. Het maakt het hondje niets uit. Dat blijft ons enthousiast volgen. Het doet me denken aan het hondje dat we in Pompeii tegenkwamen en waarover ik een gedicht met tekening heb gemaakt.

Dan valt Rienks oog op een penning rond zijn nekje. Er staat een telefoonnummer op, dat ik bel. Een wat bruuske stem vraagt wat er is. Terwijl het hondje tegen mij opspringt, leg ik hem de situatie uit. De man is niet onder de indruk.

"Maar weet hij de weg naar huis wel? We zijn al best een eindje weg. En hij heeft al helemaal geen benul van het verkeer. Dadelijk rijden ze hem dood", probeer ik hem van de ernst van de situatie te overtuigen.

"Nee hoor, niets aan de hand. Hij loopt met Jan en alleman mee en komt altijd weer ongehavend terug. En nu moet ik verder." Met mijn smartphone in de hand kijk ik Rienk verbouwereerd aan: "Verbinding verbroken."

Uiteindelijk bereiken we alle drie ongedeerd de camper. Daarna hebben we het hondje nooit meer teruggezien. De dag erop niet en ook de twee andere keren dat we deze camperplaats aandoen, niet. 

Commentaren: 0

3. Verdwaald rond de jaarwisseling

Het eerste dat opvalt als we de camperplaats in Rijssen komen opgereden, is het vele asfalt en de opstelling van de campers in een binnen- en buitencirkel. Tussen de campers liggen biljartgroene kunstgrasmatten die aan vilt doen denken, waarschijnlijk ter vervanging van echt gras. De aangebrachte kerstversiering verwarmt de enigszins kil aandoende entourage, net als de uitgestrekte bossen die het perceel beschermend omarmen.

Het is natuurlijk pas onze derde camperplaats, maar we hebben al direct door dat hier iets bijzonders aan de hand is. De merkwaardige indeling en aankleding van het terrein hebben alles te maken met de antislipschool die hier voorheen zat, zo krijgen wij later van een voorbijganger te horen. Bij nadere inspectie blijkt het camperterrein veel meer te bieden te hebben dan de gebruikelijke voorzieningen van vuilnisbak, cassettetoiletreiniging en waterinname en -lozing. Zo zijn er een hondenuitlaatplaats in het bijbehorende stukje bos, een sauna, een lounge, twee wasmachines, een droger en een prachtige douchegelegenheid compleet met stortdouche en verwarmde vloer, waar een hotel nog een puntje aan zou kunnen zuigen.

Na dit allemaal te hebben verkend, wordt het tijd voor het grotere werk. We trekken de bossen in. Het loopt al tegen vieren en over een uur zal het woud zich in het donkerste donker hebben gehuld. Meer dan een klein wandelingetje zit er dus niet in. Een smartphone voor de GPS lijkt om die reden overbodig; op zo'n kleine trip is het immers onmogelijk om de weg kwijt te raken. Bovendien wordt het bos op meerdere plaatsen doorkruist door een verharde weg, dat als herkenningspunt kan dienen. Datzelfde geldt voor de roestige rails in het bosgebied, een overblijfsel van de smalspoorlijnen waarover vroeger klei van de groeve naar de steenfabrieken werd vervoerd.

Toch weten wij er te verdwalen. Het is niet de Markeloseweg waar wij uitkomen maar de Enterweg. We houden een van de spaarzame wandelaars met hond aan die ons hiervan op de hoogte stelt en - hoe aardig - voorstelt om ons met de auto naar de camperplaats te brengen. Volgens haar de beste optie, omdat de korte weg door het bos in het duister geen optie is en de autoweg eromheen veel te lang. We slaan het genereuze aanbod af. Afgezien van het feit dat we niemand tot last willen zijn, schrikt het vooruitzicht om in coronatijd met z'n drieen in een auto te zitten af. We kiezen voor de lange route, waar we opnieuw de weg dreigen kwijt te raken. Wederom staat het geluk aan onze kant en treffen we alweer een wandelaar die zijn viervoeter uitlaat. Ook hij geeft ons de keuze tussen twee mogelijkheden: een lange veilige weg of een kortere onverlichte route met de kans van de sokken te worden gereden. Inmiddels koud, moe en hongerig geworden is de keuze voor de tweede variant niet zo moelijk.

Het is een drukke smalle weg, waarbij we telkens bij het passeren van een auto de berm inspringen. Hoe dichter bij de camperplaats hoe romantischer het wordt, hoewel je dit in deze omstandigheden misschien moeilijk kunt voorstellen. Maar de volle maan, de verlichte huizen tussen de bomen en de lichtjes in de kerstbomen maken veel goed.

Bij aankomst treffen we de camperbaas die enorm moet lachen bij het horen van ons avontuur. Hij nodigt ons gelijk uit voor de volgende avond: oudjaarsavond. 'Het wordt een gezellig samenzijn buiten, met oliebollen, warme chocolademelk en glühwein. We steken de vuurkorven aan en, als het weer het toelaat, spelen mijn vrouw en ik op de midwinterhoorn.'

Dat klinkt aanlokkelijk en dat is het ook, blijkt de volgende avond. Het weer zit mee, het vuur is aangestoken, de muziek klinkt prachtig en de maan schijnt vol tussen de bomen.

'Het lijkt wel een sprookje', fluister ik naar Rienk.

Het aftellen begint. Middernacht. Een nieuw jaar begint. Er wordt gelachen en gekust; het glas geheven. In groepjes van twee. De angst voor corona blijft.

In de verte knalt het en schieten de vuurpijlen en ander vuurwerk omhoog en kleuren de lucht rood, groen, blauw, zilver en goud. 'Ik dacht dat er een vuurwerkverbod was,' zegt Rienk, 'maar hoe het ook is, het is een prachtig gezicht.'

We lopen terug naar onze camper. We hebben alle lichten aan gelaten en op het tv-scherm een haardvuur ontstoken om zo het nieuwe jaar welkom te heten. Net zoals de meeste andere campers die zich van hun lichtste kant laten zien. Met elkaar vormen we twee aaneengesloten cirkels van licht. Dit alles zorgt ervoor dat we kunnen terugkijken op een heel bijzondere jaarwisseling die we niet snel zullen vergeten.

Traditiegetrouw op Nieuwjaarsdag maken we een wandeling; deze keer naar het dorp Rijssen. Het voelt als een domper. Alleen lege straten. Geen mens te bekennen. Zelfs de lampjes in de grote kerstboom zijn uit. De enige 'attractie' is een stenen beeld van een boer met pet en klompen die een mondkapje is voor gedaan. Er zijn blijkbaar eerder toch mensen op de been geweest. 

Commentaren: 0

2. Croissantjes en paddenstoelen

Het is Kerstochtend, rond een uur of tien, als er op de deur van de camper wordt gebonsd: de boer, druipend in de regen, met twee warme croissantjes. Precies op tijd, alsof het is afgesproken. Ons ontbijt staat klaar, de koffie en thee ingeschonken. We zouden net aanschuiven. Het enige waar het aan ontbreekt zijn croissantjes...

Het is een van de prettige herinneringen die we hebben aan de camperplaats in Lhee met een mooi uitzicht op een klein meertje. Een heen-en-weer zwabberende kerstboom van draad en lampjes weerspiegelt in het water. Om ons heen de andere camperaars, de een met een nog mooier versierde camper dan de ander. Slingers,minikerstboompjes, knipperende lampjes, verlichte sneeuwpoppen, spiegelhoesjes; alles blinkt ons tegemoet. Er is zelfs een camper die een complete slideshow afspeelt op de witte lak van zijn onderkomen. Die is van een artiest, een zanger die normaliter zijn geld verdient met het zingen van smartlappen aan de Spaanse kust. Vanwege corona zit hij noodgedwongen thuis, oftewel in zijn camper, en schrijft daar nieuwe songs. Net als ik eigenlijk. Alleen maak ik tekeningen, over het verloop van de coronacrisis.

Tussen de buien door lopen we langs kale bruine en vooral natte velden naar het nabij gelegen Dwingeloo. Met de vele verlichte kerstbomen en kerststal op het groene plein een oase in alle grauwheid. Aan dit plein ligt ook een supermarkt, waar we onze boodschappen doen. Vanaf de camperplaats is het twee kilometer heen, twee kilometer terug. Net ver genoeg om ook de terugweg, bepakt met zware tassen, als een aardig wandelingetje te kunnen omschrijven. Totdat op een dag de weersomstandigheden dit niet meer toelaten. Honderd procent regen geeft de buienradar aan. We besluiten de boodschappen te laten bezorgen en vullen op internet een behoorlijk lange lijst in, om zo de extra bezorgkosten te omzeilen. Bij het afrekenmoment barsten we in lachen uit: de bestelling kan niet eerder worden afgeleverd dan acht dagen later! Er zijn kennelijk meer mensen die op dit idee zijn gekomen.

Na een week verlaten we Lhee. We zijn inmiddels al aardig gewend aan de nieuwe leefomstandigheden en hebben de meeste camperknopjes en functies onder controle. En ook de omgeving met de Dwingeldervelder bossen en heide is al een beetje bekend terrein. We hebben zelfs de grote radiotelescoop gezien, met als souvenir twee grote ophalen in mijn nette zwarte broek toen ik achter het prikkeldraad bleef hangen.

We gaan naar Haarle, dat net als Lhee en Dwingeloo in een bosrijke omgeving ligt. De zon schijnt zowaar als we aankomen, zodat we helemaal droog het welkomstpraatje kunnen aangaan met alweer een aardige boer. De nieuwe camperplaats oogt gemoedelijk. We horen de koeien in de stal en voor ons ligt een grote groene weide met daar omheen het bos. Neergezette paddenstoelen met egels wijzen de weg naar een pad dat leidt naar een vakantiepark, waar een bescheiden supermarktje is ondergebracht. Hier mogen de camperaars ook gebruik van maken. We volgen de paddenstoelen maar het pad is ons te drassig en we nemen een ander, breder en beter begaanbaar pad. Het is druk in het bos met heel veel bikers. De andere kant oogt lieflijker, maar de doorkruising van een spoorwegovergang en autoweg maken het bos toch iets minder idyllisch dan voorzien. 

De camperplaats blijft top. 's Nachts is het stil en aardedonker en gek genoeg zijn het – met de jaarwisseling in het vooruitzicht – de stilte en de donkerte die ons afschrikken. Iets meer reuring is gewenst. We struinen internet af en vinden een camperplaats in Rijssen die leuke dingen in petto heeft. Oliebollen met glühwein, vuurkorven en een optreden met midwinterhoorns. Alle drie de aspecten weten ons te verleiden. We starten de motor en gaan op pad. Op naar de derde camperplaats!

Commentaren: 0

1. Bubbel

Het is niet de mooiste dag, waarop wij onze nieuwe camper mogen ophalen in Onna. 21 december 2020, de kortste dag in het jaar en midden in de coronacrisis. Het plan is om meteen vanuit de dealer naar een camperplaats in de buurt te rijden. Veel bagage meenemen is dus een vereiste, want we weten niet hoe lang ons eerste reisje door Nederland gaat duren.

Terwijl wij de zware tassen stapelen op het karretje, dat altijd in de gemeenschappelijke tuin van ons appartement in Sint Annaparochie voor zulke situaties klaarstaat, horen we dat onze overbuurman die nacht is overleden. Zo'n bericht doet de opwindende reiskoorts natuurlijk gelijk een aantal graden dalen. Na een praatje met de conciërge en de ergste schrik te boven, stouwen we alle spullen in de camperbus. Met weemoed, want die heeft ons toch wel mooi zes jaar lang door Europa vervoerd; van oost naar west, van noord naar zuid.

Onderweg verruilen we een zonnig Friesland voor een zonnig Drenthe. De dealer heeft de koffie klaar en met hem mijmeren we over alle mogelijkheden die ons staan te wachten. Niet te lang, want er is werk aan de winkel. Een rondleiding van maar liefst anderhalf uur door en om ons nieuwe huisje van 7.40 meter lang, 2.30 meter breed en 3.10 meter hoog: een grote 'witte koelkast' met een luxe hotelinrichting. Niet direct de droom die we voor ogen hadden, maar veel anders is er niet op campergebied, zeker niet als je er een beetje comfortabel in wilt toiletteren en douchen. De gezelligheid moeten we er zelf in brengen.

Nooit geweten dat er zo veel te vertellen valt over het gebruik van een camper. Bij elk luikje - of het nu over schoon of vuil water, het cassettetoilet, de brandstof of de gasflessen gaat - staan we zeker vijf minuten stil. En elke luikje heeft een slot. Binnen is het al niet veel beter. Een controlepaneel voor water en elektriciteit, een omvormer, een kastje voor de instelling van boiler, kachel, gas- en elektriciteitsverbruik, temperatuur en ventilator, de bediening van de televisie, de schotel... Vakjes op de vloer met daaronder laadruimtes, accu's, watertanks, de kachel. Een inklapbaar trapje, een stuur met met meer dan tien knopjes, de boordcomputer met navigatie en radio. Ik weet zeker dat ik wat vergeet. Kortom, het duizelt ons compleet als we de spullen uit de camperbus overladen naar de garage van het nieuwe onderkomen. Ook zoiets, waarover ik me verbaas: de relatief kleine laadruimte achterin die aan twee zijden kan worden geopend en onder meer bedoeld is voor het stallen van de fietsen, heet garage!

En daar staan we dan. Klaar voor een nieuwe episode in ons leven die wordt vereeuwigd door de dealer. Hij maakt er een klein feestje van. We krijgen bloemen en een fles wijn. Tot slot de betaling die de hele middag niet van de grond wil komen. Banken worstelen met storingen en wij worstelen mee. Net als het voorzichtig begint te druppelen, krijgen we contact en kan ons avontuur echt beginnen.

Uitgezwaaid door de dealer rijden we weg. De regendruppels hebben zich vermenigvuldigd en stromen in grote getale naar beneden. Rienk rijdt. Op de proefrit na de eerste keer dat we zo'n grote bak besturen. Doodeng. Het begint al te schemeren, de straten glimmen en we zweten al bij het zien van een tegenligger. De bediening van de boordcomputer blijkt een te grote uitdaging. Met de smartphone op mijn knieën schreeuw ik de wegaanwijzingen boven het geluid van de motor en de regen uit. Na een goed halfuur bereiken we de camperplaats in Lhee, nog maar een halfjaar in gebruik. Voordat we een plekje opzoeken, halen we water. 180 liter. Kunnen we voorlopig mee vooruit.

Een diepe zucht en een gevecht met de 'bearlock' verder, geven we elkaar een high five. De eerste hobbel is genomen. Het inrichten van de kastjes kan beginnen. In de stromende regen en soppend in de modderpoel die door het alsmaar vallende water is ontstaan, slepen we de belangrijkste zaken naar het 'voorhuis'. Daarna is het tijd voor de avondmaaltijd. Brood dit keer, want veel puf hebben we niet meer. Na een kort televisieavondje zoeken we ons bed op. Een Kingsize met schoteltjes. Koninklijk lekker. Moe en voldaan luisteren we naar het tikken van de regen. Wen er maar vast aan, schiet het door me heen. Voor de komende week is geen ander weer voorspeld. Maar dat geeft niets. Wij zijn beschermd, tegen regen én corona. Wij hebben onze bubbel gevonden.   

Commentaren: 0