Camperblog SLOW LIVING

44. regels

Het is kermis in Flensburg, best een grote en met tal van heerlijke hapjes. We komen hem tegen als we richting centrum fietsen, over een gigantisch steile weg die je zo in het diepe dal van de kern doet belanden waar je dan nog wel even moet bekomen van het getril van de dunne banden over alle kinderkopjes heen. We hebben mooier weer dan op de heenreis en ook meer tijd, zodat we nog beter dan vorige keer kunnen zien dat er naast alle pracht en praal die de huizen uitstralen veel armoede is. Er zijn heel veel zwervers en bedelaars en ook kan men zich hier, zo te zien, aardig uitleven met de graffitispuitbus, zelfs op de mooiste gevels. Alles bij elkaar geeft het een wat verpauperde indruk. Een schril contrast met Denemarken waar alles spik en span is.

Ook deze keer overnachten we op de mix-parking tegenover winkelcentrum Citti-Park, nu tussen een Zweedse en een Deense camper in. De Zweedse is een wat kleiner model bus met daarin een soort draaibare stoeltjeslift waarmee een gehandicapte man in zijn rolstoel op straat wordt getakeld en vice versa weer de bus in. Een ideale uitvinding, lijkt mij. De Deense mensen zijn afkomstig uit Odense, waar we net vandaan komen. Zij hebben pas hun boot ingeruild voor een camper en gaan daarmee drie maanden naar Spanje. Verderop op het parkeerterrein staat een caravan waar je een corona sneltest kunt laten afnemen. Na de Deense vrijheid te hebben geproefd is het weer even wennen in het strenge Duitsland. Wanneer we de volgende dag het winkelgedeelte willen verkennen achter de zwaar ingepakte kassa's van de supermarkt in het winkelcentrum dat we de vorige keer vanwege de onaantrekkelijkheid links hebben laten liggen, stuiten we op een verrassing. Achter de aanvankelijk Pools of Tsjechisch lijkende boodschappenwinkel blijkt een gigantisch winkelparadijs schuil te gaan met zowel food- als non-foodproducten; alles natuurlijk alleen met mondkapje, gedesinfecteerde handen en winkelkar toegankelijk.

Op de bovenverdieping bevindt zich een restaurant. Omdat het etenstijd is, lijkt het ons leuk daar een hapje te gaan eten. Wij tonen vol trots de corona check app, waarvoor wij zo onze best hebben gedaan deze op onze smartphone geïnstalleerd te krijgen, maar de vrouw bij de poort trekt eerst haar wenkbrauwen en vervolgens haar schouders op. De QR-code is voor Citti-Park onleesbaar, omdat er geen scanner voorhanden is. Ze haalt de kok erbij die haar reactie bevestigt en eraan toevoegt dat het enige dat telt de vaccinatiedatum is. Oké, dat is niet zo moeilijk. Met een pijltje terugwaarts toveren we die tevoorschijn. Het werkt. Na een goedkeurend knikje van beiden denken we aan de voorwaarden te hebben voldaan, maar nee, dat blijken we mis te hebben. Voor we daadwerkelijk het restaurant in mogen, dient eerst nog een formulier op A4-formaat te worden ingevuld. Vervolgens mogen we met een potje ongekookte pasta, dat in onze handen wordt gestopt, toch echt naar binnen. Het potje moet bij het weggaan wel weer worden ingeleverd, als variant op het winkelmandje bij veel andere winkels.

Binnen overheerst de lucht van desinfectie, teweeggebracht door een vrouw die elk plekje op haar pad met desinfectiemiddel en doekje te lijf gaat. In de open keuken bestellen we ons eten, dat vers wordt bereid door koks en kokkinnen met medische mondmaskers voor. Na te hebben afgerekend kunnen we gaan zitten. Wij hebben tafeltje 23 toegewezen gekregen, dat tegen een manshoog bruin houten scherm is geplaatst. Een houten scherm dat tot het interieur behoort om zo de belendende tafeltjes en gasten van elkaar te scheiden. Het schijnt niet coronaproof genoeg te zijn, want daarboven, reikend tot het plafond, is de bovenruimte afgeplakt met grote doorzichtige plastic flappen. Eindelijk mogen de kapjes af en kan het eten beginnen. De trek zou je door alle restricties bijna zijn ontnomen, maar eerlijk is eerlijk het eten is werkelijk formidabel. Daar kan menig restaurant nog een puntje aan zuigen.

Na het etentje, een gezellige voortzetting van de dag en een goede nachtrust zakken we verder Duitsland in. In eerste instantie naar Neumünster, maar omdat we daar niet zo zijn gecharmeerd van de camperplaats, rijden we door naar die van Kaltenkirchen. De jaarmarkt is inmiddels voorbij, dus we zullen er wel kunnen staan, denken we. Echter, als we het plaatsje inrijden, staan er allerlei borden dat de camperplaats is gesloten. Geen nood, wij rijden gewoon door naar de parkeerplaatsen bij de tennisbanen en gaan daar net als vorige keer op aanraden van een vriendelijke bewoner het illegale overnachtingsavontuur aan. Ook nu ontvangen we geen enkel commentaar op de overtreding. Wat deze keer wel anders is, is dat we bij het verlaten van Kaltenkirchen en het passeren van de officiële camperplaats veel geparkeerde campers zien. We hadden de regels dus niet hoeven overtreden. We kunnen ons er niet schuldig over voelen, want wat hebben wij ons verbaasd over het feit dat de Duitse caissières van achter hun mondkapje en kuchscherm met blote handen wisselgeld teruggeven. Dat lijkt toch echt op een grove corona overtreding. Maar misschien zien we dit alles een beetje te zwart-wit. Is het niet zo dat regels soms lijken te zijn gemaakt om er een klein beetje overheen te gaan? En dat geldt natuurlijk ook voor onze overnachting naast de tennisvelden.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (woensdag, 22 september 2021 19:40)

    Weer fijn een stukje meegereisd!

43. Attractiepark, winkelcentrum en supermarkten

Vanaf onze prachtige camperplaats in Kopenhagen is het slechts zes kilometer fietsen naar het attractiepark Tivoli, midden in het centrum. We boffen, want de camperplaats sluit op 21 september de deuren en dan zou ik niet zo gauw hebben geweten waar we dan hadden moeten staan.

We parkeren onze fietsen op het plein waaraan het stadhuis ligt met daarnaast het H.C. Andersen- standbeeld. Het is een groot beeld met daarop een QR-code, waarmee je Hans naar je eigen smartphone kunt laten bellen.

Aan de overkant van de weg ligt Tivoli. Na het strenge coronabeleid in Duitsland is het een herademing om in Denemarken te bivakkeren. Nergens mondkapjesplicht en nergens hoeven in te loggen met de corona check app. Sterker nog: de dag erop - op 9/11 nog wel - vervallen alle coronabeperkingen, wat waarschijnlijk heeft te maken met de grote vaccinatiebereidheid in dit land. De entree in een van de oudste attractieparken ter wereld geschiedt dus heel relaxed. Het park werd in 1843 opgericht door Georg Carstensen. In de vijftiger jaren bracht Walt Disney er een bezoek om inspiratie op te doen voor de bouw van het eerste Disneypark. Met zijn 25 attracties is het geen groot park, maar wel supermooi aangelegd met mooie tuinen en gebouwen in de stijlen van verschillende landen. Het fijne is dat het voor iedereen toegankelijk is tegen een betaalbare prijs, omdat je alleen betaalt voor datgene waarvan je gebruikmaakt. Dat wil zeggen bij de ingang koop je een entreekaartje en voor elke attractie betaal je later apart. Behalve attracties zijn er meerdere eetgelegenheden, speeltuintjes, grasvelden en live entertainment. In de zomermaanden staat er een podium waar concerten worden gegeven.

Na Tivoli fietsen we naar Nyhavn, waar de oudste huizen zijn te vinden. De meeste zijn meer dan driehonderd jaar oud. Het oudste, op nummer 9, werd gebouwd in 1681. Ook Hans Christian Andersen heeft hier in verschillende optrekjes gewoond. Nyhavn maakt deel uit van ons rondje om de stad, waarna we terugkeren naar de kern. We zetten de fietsen neer in de Fiolstræd bij de Universiteitsbibliotheek, de belangrijkste onderzoekbibliotheek van Denemarken. Het is gebouwd naar neogotisch ontwerp; het gebruik van rode bakstenen luidde een nieuwe, onderscheidende trend in de Deense architectuur in. Verder is het design van Herholdt geïnspireerd op de West-Europese architectuur, en wel met name op de Noord-Italiaanse kathedraalarchitectuur. In eerste instantie dacht ik dan ook met een kerk van doen te hebben. Via de Jorks passage komen we in het Strøget voetgangersgebied, het meest centrale gedeelte van de stad. Op het plein staat een aantal mooie gebouwen, waarvan de oudste dateert uit 1616, maar het is de Ooievaarfontein die hier echt domineert. Sinds 1950 is het een traditie dat iedereen die pas is afgestudeerd als verloskundige een dansje rond de fontein maakt.

Na een enerverende dag fietsen we terug naar de camperplaats, daarbij veel fietsers met een soort kleine neksteun passerend. Naderbij gekomen blijkt in de taps toelopende achterkant een rits te zitten, waardoor ze als nektasjes zouden kunnen worden omschreven. Echter op internet heb ik hier niets over kunnen vinden.

De dag erop regent en waait het, zodat het minder erg lijkt om de terugreis te aanvaarden. We besluiten voor een weerzien van het Deense Odense en het Duitse Flensburg. Van beide steden denken we nog niet alles te hebben bekeken. In Odense komen we echter niet verder dan Rosengårdcentret, met 144.000 m² vloeroppervlak en meer dan 150 winkels, restaurants, een bioscoop en een fitnesscentrum het grootste winkelcentrum van Denemarken. We eten er een heerlijke pizza met zalig knapperige in de schil gebakken patatjes op de Food Avenue. Bij het verlaten van het winkelcentrum zien we dat onze fietsen zijn omgevallen. Rienks remkabel is gebroken. Zijn fiets is gelukkig nog wel bruikbaar, maar we moeten binnenkort wel omzien naar een reparateur.

Een dag later gaan we verder naar Flensburg en willen onderweg enkele levensmiddelen inslaan. Er zijn verschillende supermarkten in Denemarken, waarvan Rema 1000 ons het bekendst is, althans deze keten kennen we van onze reis naar de Noordkaap waar we in het Noorse Kautokeino een filiaal hebben aangedaan. Dat deze supermarkt ook in Denemarken is vertegenwoordigd is nieuw voor ons. Rema 1000, de Lidl en Aldi zijn overigens de enige supermarkten die als zodanig herkenbaar zijn. De andere ketens kom je spontaan tegen als je denkt een kledingzaak of tuincentrum te zijn binnen gegaan, waar helemaal achteraan de levensmiddelen liggen uitgestald. In een van de schappen zien we een krant met op de voorpagina een afbeelding van duizenden in groene hesjes gestoken mensen op de Grote Beltbrug die we twee dagen eerder zijn gepasseerd. Omdat ik de bijbehorende Deense tekst niet kan ontcijferen, vraag ik aan een winkelende klant of het soms om een marathon gaat. Ik leg hem uit dat we deze enorme mensenmassa vanaf de brug hebben gezien en er via internet niet achter kwamen wat daar aan de hand was. De man steekt zijn duim omhoog: "Yes, this was a marathon". Zo zie je maar dat een supermarkt ook een goede plek is om een land op meerdere punten dan alleen etenswaren te leren kennen, waarschijnlijk beter dan in een attractiepark.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (woensdag, 15 september 2021 16:41)

    Wat een leuke uitsmijter!
    Weer graag een stukje meegereisd.

42. Camperplaatsen van uiteenlopend karakter

Aanvankelijk is het de bedoeling Flensburg even aan te doen om wat boodschappen in te slaan, maar de weg naar de Lidl is zo verrassend dat we besluiten een bezoek aan het centrum te brengen. De Noord-Duitse stad ligt in een heuvelachtig gebied, aan een fjord dat uitmondt in de Oostzee. Op nog geen tien kilometer van de Deense grens, waardoor het een mix is van zowel de Deense als de Duitse cultuur. We treffen dan ook veel Denen die hier hun inkopen doen, omdat het in Duitsland nu eenmaal allemaal een stuk goedkoper is. Wat verder opvalt zijn de prachtige huizen, in allerlei kleuren. Boven één straat hangen de elektriciteitskabels vol met oude schoenen. Ik heb me laten vertellen dat dit verschijnsel op twee manieren uitlegbaar is. Ten eerste voor jongens die hun maagdelijkheid hebben verloren, en ten tweede uit respect voor oorlogvoerende soldaten.

Aan de rand van de stad is een grote gratis camperplaats met nu eens niet alleen campers uit Duitsland, maar ook uit Denemarken, Noorwegen en Zweden. Het ligt recht tegenover het winkelcentrum Citti-park en naast een tankstation, waar we uitkijken op een zuil met steeds verspringende verkoopprijzen, zodat we ons een beetje op Wallstreet wanen waar de beurskoersen even rap wisselen als de brandstofprijzen hier, terwijl de felle verlichting 's avonds van het winkelcentrum juist weer meer aan de Strip in Las Vegas doet denken. Enfin, als we 's ochtends worden gewekt door een alledaagse grasmaaier staan we weer met beide benen op de grond in Duitsland.

Met camperplaatsen kan het trouwens raar lopen. Staan we dus eerst in Flensburg op een groot camperveld recht tegenover een winkelcentrum waar het verkeer voortdurend voorbij raast, een paar uur later komen we in Odense terecht op een stille doodlopende weg op een bedrijventerrein, naast een bedrijf dat handelt in caravans. Eerst denken we nog dat we een fout hebben gemaakt met de navigatie en het bedrijf voor een camperplaats hebben aangezien, maar dan blijken er twee kleine camperbordjes op een groot grasveld voor het bedrijfshek te staan. Om de hoek ligt een fiets/wandelpad dat het begin is voor een acht kilometerlange tocht naar het centrum. Beter kunnen we het niet treffen, zo in alle rust en ruimte staan en tevens een goede uitvalbasis naar de stad.

In het centrum van Odense lijken we ons in een sprookje te begeven en dat is natuurlijk niet zo verwonderlijk als je weet dat Hans Christian Andersen hier is geboren. We fietsen naar zijn geboortehuis, midden in een wijk met snoeperige huisjes in allerlei pastelkleurtjes in straten met kinderkopjes. Van enkele van zijn sprookjes staan beelden in de stad. Bij één – die van de standvastige tinnen soldaat – drinken we koffie. Een stukje verderop staat het raadhuis, dat me qua architectuur doet denken aan Italië; net zoals het grote beeld van een naakte vrouw dat ervoor ligt, Oceania genoemd. Is zij de vrouwelijke versie van de gevallen Icarus voor de Tempel van Concordia in Agrigento op Sicilië? Nee, dat lijkt mij te veel eer voor deze sculptuur, maar zij doet me er wel aan denken.

Terug bij de camper dromen we weg in de zon. De volgende ochtend worden we opnieuw gewekt door een grasmaaier. Een lekker ontbijt en een frisse douche is wat erop volgt. Daarna zetten we koers naar ons eindpunt Kopenhagen. We gaan over de Grote Beltbrug die maar liefst achttien kilometer lang is, en in feite uit twee verschillende bruggen bestaat. Twee weken geleden gingen we met de fiets over de Zeelandbrug, wat een gigantisch stuk leek. Deze brug is bijna vijf keer zo lang en verbindt het eiland Funen, waar Odense op ligt, met Seeland, het grootste eiland van Denemarken met de hoofdstad Kopenhagen. Op deze brug geen fietsers, maar wel een trein. Het uitzicht over de immense watervlakte wordt halverwege onderbroken door een klein eilandje, Sprogø genaamd. Er zijn resten van gebouwen uit de 12e eeuw, waaronder een fort. In 1868 werd er een vuurtoren neergezet en tussen 1923 en 1961 werd het eiland gebruikt voor de gedwongen opvang van vrouwen die seksueel losbandig leefden om zo ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Nu heeft het eiland geen permanente bewoners meer en is het een natuurreservaat dat in gebruik is genomen door de eigenaar van de Grote Beltbrug.

Inmiddels is de temperatuur gestegen naar 28 graden. Dit samen met de gele verdorde akkers, waar we langsrijden, doet meer denken aan Spanje dan aan Scandinavië. Ons doel is een camperplaats in de Kopenhaagse haven. Daar waren we ook in 2015, op weg naar de Noordkaap. Het is geen goedkope camperplaats en daarom jammer dat er geen voorzieningen zijn voor het legen van het cassettetoilet. Gelukkig zijn er tankstations langs de snelweg waar je voor deze zaken wel terecht kunt, ook voor drinkwater en het lozen van grijs water.

In Kopenhagen op de pier naar de camperplaats gaat het Spanjegevoel verder. Het zijn de strakblauwe lucht en het heldere water dat mensen naar de zee lokt. Lekker zonnen op het strand of in het gras, varen met de boot en zwemmen. Als je nog geen vakantiegevoel zou hebben, krijg je het hier spontaan. Vlak voor de slagboom naar het camperterrein springt een bruinverbrande man in zwembroek voor de auto. Hij heeft lang grijs haar en een witte sticker midden op de borst. In onberispelijk Engels legt hij uit waar we een ticket kunnen kopen en op welke plek we mogen staan. Hij wijst naar een veld met kiezelstenen met twee rijen campers achter elkaar. We zijn spekkoper: nog één plekje op de voorste rij met voor ons een uitzicht op honderden kaarsrechte masten oprijzend vanuit dobberende zeilboten. Het water en de lucht houden een wedstrijd in blauw zijn. Zo kan een camperplaats er dus ook uitzien. 

Commentaren: 0

41. Buitenlands vakantiegevoel

Na een korte pauze gaan we verder waar we vorige keer zijn gebleven. Dat wil zeggen: een klein stukje oostelijk van Leer, namelijk Westerstede. We staan er op een drukke camperplaats, als enige buitenlander tussen de Duitsers. Rondom ons heen zijn veel kwekers gevestigd, een echt tuinbouwgebied dus. Het centrum is om de hoek en dat ziet er heel gezellig uit met ontzettend veel bloemen en rode bestrating. Aan de Markt met het Rathaus en de Sint-Petruskerk, geflankeerd door enkele grafstenen, houdt de Marktfrau als sculptuur alles en iedereen nauwlettend in de gaten.

Kortom, Westerstede is een vredig en rustig begin.

Het echte vakantiegevoel start in Bremerhaven, de volgende plaats die we aandoen. Ook hier een druk bezette camperplaats tussen alleen Duitsers, maar deze keer met een prachtig uitzicht over de Weser en de stad in de verte. We staan op een plek in het havengebied omringd door rozebottels, want ja, de herfst is in aantocht. Bomen, met de kastanjes voorop, beginnen al te verkleuren. Ik houd ervan, net als van de zee en de havens en geniet dan ook met volle teugen van het meeuwgekrijs dat daar onlosmakelijk mee is verbonden.

Bremerhaven vormt met het 53 km zuidelijker gelegen Bremen de deelstaat Vrije Hanzestad Bremen. In Bremen waren we eerder en dat vond ik destijds best leuk, maar nu ik in Bremerhaven ben, moet ik zeggen dat ik het hier nog leuker vind. Vlakbij ons plekje ligt de Fischereihafen, waar we starten met onze ontdekkingstocht op de fiets. Zoals de naam al doet vermoeden, draait hier alles om vis. In de oude visafslagen zijn tientallen visrestaurants te vinden. Met een bescheiden marktje, muziek, shantykoortjes en enkele middelgrote boten heerst er een gezellig sfeertje.

De fietstocht gaat verder naar het Klimahaus, een mooi staaltje architectuur van glas waarin een interactief centrum over weer en klimaat is ondergebracht, met aansluitend een outletcenter. Op zich is die outlet mooi gedaan met nagebouwde oude huisjes maar wel op zo'n manier zoals je vaker ziet op zulke locaties, onder andere in Roermond. Naast dit gebouwencomplex staat het Atlantic Hotel Sail city met zijn honderdveertig meter het hoogste gebouw van de stad. Op de 20e en 21e verdieping geniet je op het uitkijkplatform van een panoramisch uitzicht over vooral veel water, want hier ligt niet alleen de Weser, maar ook de Oude Haven met een knots van een onderzeeër en de Nieuwe Haven met langs de boulevard het zogenoemde Segelschulschiff dat is te bezichtigen. Vanuit het glazen Klimahaus loopt een glazen tunnel over de Oude Haven en een drukke verkeersweg heen naar het Columbus Shopping Center en de lange winkelstraat, de bürgermeiser-Schmidt-Strasse, erachter. Deze straat is opgefleurd met duizenden vlaggetjes van de ene kant naar de andere. Hoe verder je komt, des te meer emigranten je tegenkomt en dat is ook aan het winkelbestand te zien. Het is mooi weer en het buitenleven in volle gang, zodat je op deze plek in de noordelijke havenstad ook nog iets van een mediterrane sfeer mee krijgt.

Met in de avond siervuurwerk boven de Fischereihafen is ons buitenlands vakantiegevoel dan ook helemaal compleet. Maar het kan nog groter, nog intensiever, en vooral nog drukker. Dat merken we de volgende middag als we in Hamburg aankomen. Niet vlakbij het station, zoals een paar jaar geleden toen we op één lange, saaie winkelstraat uitkwamen waardoor we Hamburg deze keer bijna wilden overslaan, maar in het havengebied, vlak bij de 135 meter hoge en ruim drieënhalve kilometer lange Köhlbrandbrücke. Een brug vol met stilstaand en langzaam rijdend verkeer. Wij gaan langs de huizenhoge opeenstapeling van containers via de bijna even lange Elbetunnel, waar de verkeerssituatie al niet veel beter is. En ook verderop in het centrum is het een chaos. Een van de twee camperplaatsen die we op het oog hebben, is opgeheven en de andere staat vol. Wat we onderweg aan winkels, gebouwen en restaurants zien bevalt ons zeer, maar nog liever zoeken we de rust op die hier ver te vinden is. Hamburg is namelijk de op een na grootste stad van Duitsland en we moeten dan ook eerst tientallen kilometers door de bebouwing heen, voordat we de eerstvolgende camperplaats in Kaltenkirchen bereiken. En ook daar is het druk. Wegomleggingen, files en bovendien vanwege een jaarmarkt de camperplaats ontoegankelijk.

We proberen naar Neumünster te navigeren, echter het navigatiesysteem komt er niet uit. Telkens worden we naar de afgezette gebieden gestuurd en rijden we meerdere keren hetzelfde rondje. Het begint op te vallen. Tot twee keer toe tikt een fietser op Rienks raampje om te vragen of hij ons kan helpen. Bij de eerste man blijft het bij een poging, maar de tweede heeft, zoals hij zelf zegt: een goed idee voor ons, en wijst naar een verderop gelegen recreatiegebied midden in het bos, met bij de tennisbaan een grote parkeerplaats waar we kunnen overnachten. Illegaal weliswaar, iets waar wij in principe niet van houden omdat je nooit weet of er 's nachts niet ineens een aantal boa's op je deur klopt. Maar deze keer beschouwen we de overtreding als overmacht. En dat versterkt ons buitenlands vakantiegevoel volledig.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (woensdag, 08 september 2021 12:40)

    Ik zou dat ook niet durven, illegaal ergens overnachten maar inderdaad dit was overmacht.
    Ik ben weer graag met jullie meegereisd.

40. Herinneringen

Het is alweer zes jaar geleden dat het biermerk Grolsch vierhonderd jaar bestond en dat ik ter gelegenheid daarvan met 399 andere kunstenaars van over de hele wereld werd uitgenodigd deel te nemen aan het evenement Grolsch 400 Workshop. De opdracht was om in Amsterdam - in het hart van de creatieve wijk van de stad, uitgerust met een winkel voor kunstbenodigdheden, schildersezels, doeken, een bar, een amfitheater, een food court en de hele dag door dj-sets - een hulde te brengen aan de Grolsch beugelfles. De zo ontstane individuele kunstschilderwerken vormden samen een campagnemozaïek bedoeld als kern van de wereldwijde consumentencampagne. Omdat ik daar leuke herinneringen aan heb en wij nu vlak bij het plaatsje Groenlo op de camperplaats staan, is het een goede gelegenheid om de geboortegrond van Grolsch te betreden. Willem Neerfeldt heeft dit bekende biermerk namelijk voor het eerst in 1615 in Groenlo gebrouwen. De naam Grolsch staat voor het bijvoeglijke naamwoord van Grolle, de oude naam van Groenlo. De brouwerij heet dan ook officieel Grolsche Bierbrouwerij.

We zien al gauw dat Grolsch hier nog altijd de boventoon voert. Op zowat elke gevel hangt wel een reclamebord en natuurlijk is er het Grolsch mini-museum Brouwhuys De Lange Gang, gevestigd in het ‘geboortehuis’ van Grolsch aan de Kevelderstraat, dat in 1615 door aartsvader Willem Neerfeldt werd gekocht om er een brouwerij te vestigen. Een mooi wit huis en een heel verschil met de grote brouwerij in Enschede van tegenwoordig waar we de volgende dag langsrijden.

Omdat we na ons bezoek aan Groenlo nog slechts een kleine week hebben voordat ik me in Koudum moet melden voor het borstkankerbevolkingsonderzoek, besluiten we de tussenliggende tijd te besteden aan het bezoeken van vrienden en familie in Gouda en Kats. In Gouda zijn we vaker, Kats is alweer een hele poos geleden, zodat we daar de omgeving op de fiets willen gaan verkennen. We beginnen in Colijnsplaat, een dorp met veel oude huisjes en een gezellige haven aan de Oosterschelde. Even voor het plaatsje passeren we het monument voor de Verdronken Dorpen. Het schijnt te gaan om minstens 120 verdronken kerkdorpen in Zeeland, inclusief enkele stadjes; dus dat zijn er nogal wat. Als je zo op de fiets zit en je kijkt naar het heldere blauwe water met daaroverheen de Zeelandbrug, kun je je al deze ellende van vroeger bijna niet voorstellen, zeker niet met het zonnetje en de prachtige wolkenformaties in de staalblauwe lucht erboven. Doch hier leeft de herinnering nog altijd voort.

In Colijnsplaat staan aan weerszijden van de dwars door het dorp lopende winkelstraat mooie hoge bomen. Een prachtig gezicht, zeker met aan het eind van de straat de witte Nederlands Hervormde Kerk waar je recht op af rijdt. Omdat het lunchtijd is, zijn we op zoek naar een warme hap, maar alles is gesloten. Het alternatief is Zierikzee, dat op Schouwen-Duiveland ligt, wat betekent dat we over de Zeelandbrug mogen en dat is echt geweldig! Eigenlijk heette de Zeelandbrug die in 1965 is gebouwd, de Oosterscheldebrug. Vanaf de oplevering tot 1972 was het de langste brug van Europa. Meer dan vijf kilometer over het blauwe water, dat door de hoge brug diep onder je ligt en waardoor het lijkt alsof je vliegt. Een heel mooie ervaring, waar we toch ook weer worden geconfronteerd met een verdrietige gebeurtenis uit het verleden. Na een frontale aanrijding in 1993 raakte een bijrijder van een bestelbus namelijk te water en is nooit meer teruggevonden. Ter nagedachtenis aan hem hangt aan de brugreling een herinneringsplaquette.

En zo raken we dan aan de overkant, waar we de laatste kilometers naar Zierikzee afleggen. Ik denk me op bekend terrein te begeven, maar als ik terugreken is het alweer ruim tien jaar geleden dat ik meedeed aan de tiendaagse Kunstschouw op Schouwen-Duivenland met als expositie locatie Scharendijke. Tijdens mijn verblijf bezocht ik Zierikzee, maar kwam er op een heel ander punt binnen dan nu, zodat ik er in het begin weinig van herken. Deze keer maken wij de entree via een ophaalbrug en de Noord- en Zuidhavenpoort, en komen daarna pas bij de winkeltjes, boetiekjes en galerieën terecht. Destijds was dit juist mijn beginpunt.

Helaas hebben we veel te weinig tijd om alles goed te bekijken, omdat we op tijd terug moeten zijn op de camperplaats. Vanaf twee uur 's middags arriveren de volgende gasten en moet de door ons gereserveerde ruimte vrij zijn. Jammer, maar we komen zeker terug. De brug en het kleine stadje aan de Oosterschelde met maar liefst vijfhonderd monumenten heeft ons te pakken. Als ik de foto's die ik onderweg heb gemaakt op de sociale media post, reageert een oud-collega van een bedrijf waar ik vijfendertig jaar geleden als verkoopmedewerkster binnendienst werkte: zij woont vlak bij Colijnsplaat. Ze vraagt of ik de volgende keer een kop koffie bij haar kom doen. En zo zie je maar: het maakt niet veel uit waar je bent, herinneringen liggen overal, zeker als je wat ouder wordt.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (vrijdag, 03 september 2021 19:42)

    Wat leuk om op deze manier iets te leren over een biermerk.
    Je stukje is weer fijn om te lezen!

39. Circus

Ons eendaagse buitenlandtripje naar Leer zit er op. We moeten terug naar Nederland, waar we een aantal afspraken hebben. Het snel achter elkaar opbreken, rijden en inrichten is inmiddels een routine te worden, en heeft het karakter van een zich steeds verplaatsend circus. Toch kunnen we het niet vermijden dat we ook wel eens iets vergeten, zoals de elektriciteitskabel uit de stekker te trekken of het losse aanrechtblad c.q. snijplank over de gootsteen te leggen of de douchekop goed vast te zetten, zodat we aan het begin van een rit nog wel eens worden opgeschrikt door een enorme knal. Maar ook dit went.

Ter hoogte van Emmen rijden we Nederland binnen en we gaan direct door naar Appelscha. De camperplaats die we op het oog hebben, is bezet, en we gaan verder naar Elsloo. Op weg daar naartoe passeren we een spiksplinternieuwe camperplek, pal naast de drukke weg waarop we rijden. Er is nog één plekje vrij. Hoewel het geen ideale locatie is, gaan we er voor. Het is per slot van rekening hoogseizoen en dat betekent in deze contreien topdrukte.

Na de koffie maken we een prachtige fietstocht over de velden, waar de heide al voorzichtig in bloei staat. Een mooie afsluiting, want de volgende dag gaat het echt huiswaarts. We brengen er een goede week door. Ik ben bezig met een nieuw kunstproject, waarvoor ik wat meer ruimte nodig heb dan in de camper.

Daarna gaat het circus weer van start, met opnieuw een paar dagen Duitsland op het programma. Het plan is om op de zondag te vertrekken, maar daar zijn de weersomstandigheden niet op berekend. Boven Friesland is een heuse wolkbreuk ontstaan, met Stavoren - vier kilometer van ons vandaan - als kern. Straten en tuinen komen blank te staan. Het water gutst met sprongen uit ons toilet, terwijl ook het doucheputje dansbewegingen begint te maken. Zo veel water in zo'n korte tijd heb ik niet vaak meegemaakt. We houden de buienradar nauwkeurig in de gaten, beiden gespitst op een minder nat moment waarin we de fietsen en bagage naar de camper kunnen brengen. Ons verrijdbare huisje staat namelijk niet voor de deur, maar een stukje verderop, even buiten het dorp naast een boerderij. Echter, telkens als we op Buienradar kijken, verspringt de aangegeven tijd dat de regen op zal houden. Dit herhaalt zich zo vaak en duurt zo lang dat we besluiten niet nu maar de volgende dag te vertrekken, en dan - is dat nou niet altijd zo? - houdt de regen ineens even op. Hooguit tien minuten, maar dat is precies genoeg om de fietsen droog in de campergarage te krijgen. Daarna begint het weer volop te hozen.

Omdat het al halverwege de middag is en we niet veel zicht hebben op de weg, gaan we niet verder dan Zwolle. We parkeren er op een mixparking tegenover een basisschool en wachten daar voorlopig de laatste bui af, waarna we nog een uurtje hebben om in het centrum te winkelen. De volgende ochtend worden we gewekt door open- en dichtslaande autoportieren, opgewekte kinderstemmen en vermanende vaders en moeders. Het is de eerste schooldag in het noorden, dus iedereen heeft elkaar veel te vertellen. Het duurt dan ook best een poos voordat de laatste ouders het schoolplein hebben verlaten. En terwijl wij aan het ontbijt zitten, stormen de eerste kleuters naar buiten om te spelen in het zonnetje.

Na Zwolle is de volgende bestemming Zwillbrock, net over de Duitse grens. Met de camperbus zijn we daar eerder geweest en dat was goed bevallen. Je staat er helemaal gratis, in een mooi groot groen veld omgeven door hoog mais. Dit staat heel hoog, veel hoger dan in Nederland, en daarbij ziet het gewas er ook nog eens lekker fris uit, zonder één enkel geel blad. Tien kilometer verderop bij een sportcentrum in Vreden bevindt zich een sanistation dat eveneens kosteloos is te gebruiken.

In Zwillbrock dus geen voorzieningen, maar wel het klokkengelui van de barokke rooms-katholieke Sint-Franciscuskerk en de directe nabijheid van een prachtig natuurgebied, waar ook nog eens een hele groep flamingo's is neergestreken. Vorige keer waren ze veel te ver weg en kreeg ik ze niet op de foto, nu kunnen we dichterbij komen en heb ik bovendien behalve de smartphone ook mijn camera mee zodat ik kan inzoomen. Het levert prachtige plaatjes op.

Vanuit het natuurgebied fiets je zo het plaatsje Vreden in, dat aan de rivier de Berkel ligt. Aan de oever, in het stadspark, bevindt zich een historische boerderij die uit elf gebouwen bestaat. Zij zijn uit verschillende plaatsen in het district Borken daarheen gebracht en geven als groep een inkijkje in de historische bouw-, levens- en arbeidswijze van middelgrote boerderijen in Westmünsterland. De boerderij staat tegenwoordig onder monumentenzorg en wordt niet meer uitgebreid.

We gaan verder naar het winkelgebied waar de Markt compleet op zijn kop staat met bijna alle gebouwen rondom het plein in de steigers. We drinken een koffie en thee op een terras in een van de winkelstraten, kopen daarna wat herfstversiering voor de camper en hervatten vervolgens de fietstocht die ons aan de rand van het centrum langs een soort kringloopwinkel voert. Rienk ziet twee identieke houten kastjes met marmeren bovenblad staan die het zeer goed zouden doen als onderstel voor onze ietwat uit de kluiten gewassen televisie. Voorheen hadden we hem altijd aan de muur hangen, maar daar is in het huisje in Molkwerum niet echt plek voor.

Als we de winkel willen betreden, merken we dat de coronaregels hier nog behoorlijk veel strenger zijn dan in Nederland. Er mogen slechts vier personen de winkel in, alleen met een mondkapje en gedesinfecteerde handen. Bij de ingang staat een stoplicht. We moeten best een tijdje wachten, want er staat een kleine rij mensen buiten. Ondertussen nadert een slechtziende man, in zijn hand een stok met aan het uiteinde zo'n balletje waarmee hij de omgeving aftast. Het blijkt een bekende in Vreden te zijn. Desondanks kan niemand verhinderen dat hij opbotst tegen Rienks fiets die hij keurig netjes op de aangegeven plek had geparkeerd. Nadat Rienk de man de goede looprichting heen heeft gedirigeerd, loopt hij aan het eind van de straat bijna een grote openstaande vuilcontainer in. Als het niet zo treurig zou zijn, zou je bijna denken dat hij deel uitmaakt van ons circus en een slapstickrol vervult. En o ja, de kastjes blijven op hun plek, zij dienen slechts als etalagemateriaal.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (zondag, 29 augustus 2021 13:24)

    Heerlijk om jullie reisverslagen te lezen.
    Duitsland is inderdaad veel strenger met de coronamaatregelen. Ik liep per ongeluk zonder een mondkapje een tankstation binnen. Niet vriendelijk werd ik naar buiten gestuurd...

38. Eerste buitenlandse overnachting

Bad Nieuweschans leek een bijzondere plaats en vooral geschikt om er tijdens de regenbuien in de camper naartoe te rijden om zo alvast een beetje Duitsland op te snuiven. Het is namelijk de meest oostelijk gelegen plaats van Nederland en de meest noordelijk gelegen grensplaats. Bad Nieuweschans herbergt thermale (bronnen)baden, sauna's en wellnessfaciliteiten en heeft bovendien nog een aantal andere bezienswaardigheden. Maar of het nu door het trieste weer komt of door iets anders, deze stad kan ons niet bekoren. De omgeving is wel de moeite waard. Vooral de talrijke grote en vooral hoge monumentale boerderijen zijn de moeite waard.

Ons volgende doel is Veendam, de op een na grootste stad van Groningen, en vanwege de ruimte, het groen en de waterpartijen in het centrum ook wel 'Parkstad' genoemd. Een extra toevoeging vind ik de kunstig weergegeven krijttekeningen in 3D.

Na dit uitstapje rijden we verder in westelijke richting, naar Borger waar we vorig jaar juni op een camperplaats stonden, pal naast de aardappelvelden. Daar aangekomen blijkt het camperveld te zijn afgesloten. Het gras is te nat en de bodem doordrenkt.

In Eext op de Drentse Hondsrug hebben we meer geluk. Daar zijn op een gigantisch grote familiecamping een paar camperplekken vrij. Ze zijn een beetje weggestopt in kleine haventjes, ingesloten door begroeide geluidswallen, wat naast de drukke weg niet geheel overbodig is. We zetten de camper met zijn snoet in een hoek, waardoor het lijkt of hij straf heeft. Geen topplek dus. Hoewel het in eerste instantie niet geweldig lijkt, is het hier toch leuk toeven. Zeker wanneer het - nadat de zon is doorgebroken - knap warm wordt en wij zomaar in de schaduw blijken te staan.

De camping maakt deel uit van een cultuurhistorisch wandelspoor, het tracé van de voormalige spoorlijn Assen-Stadskanaal. Wat er nog van over is, is een vrijwel geheel bewaard gebleven oude spoordijk van ongeveer 25 kilometer lang die als prachtig voetpad door het afwisselende landschap loopt. Vlak bij onze camperplaats staan ook nog vier oude treinwagons, met mos begroeid. Twee doen er dienst als restaurant met aansluitend een sanitaire ruimte. Aan het begin van het terrein, bij de snackbar, ligt de voormalige Eexterhalte.

Wonder boven wonder blijk ik daar ook ineens de DigiD-app op mijn Huawei-toestel te kunnen downloaden, iets wat de afgelopen dagen een onmogelijke zaak leek. Nu hoeven we alleen nog even contact te maken met de nieuw gekochte smartphone met daarop de corona check app en we kunnen naar Duitsland zonder eerst de corona SMS-code thuis op te hoeven halen. Wat een feest. Het wordt het eerste buitenlandse ritje van ons huisje op wielen. En al is het maar voor een dag, omdat we aan het eind van de week een aantal afspraken in Heerenveen hebben, we zijn helemaal door het dolle. We maken ons gelijk rijklaar met de stad Leer als doel. We treffen het: 't is een prachtige dag met veel zonneschijn. Nu nog een plekje voor de camper en wij kunnen aan de wandel. Maar zo makkelijk gaat het niet. Op de camperplaats die we in Leer op het oog hebben, kunnen we niet komen. Op de aangegeven route ligt namelijk een te smalle brug.

We wijken uit naar Logabirum, een dorp zes kilometer ervandaan. Daar is een heel aparte camperplaats met aan het eind van een enorme oprijlaan een gigantische molen en ook nog eens twee masten met ooievaarsnesten. Ook houden ze er kippen, heel veel kippen, die loslopen op een afgebakend veld. Onder de molen zit een houtzagerij en verder is er een boerderij met een prachtig aangelegde tuin waarin een tafeltje met eieren die je kunt kopen. Ernaast ligt het sanitairgebouw en een zogenaamd 'backhus', dat onderdeel uitmaakt van een rondleiding. We blijken bij een toeristische attractie te zijn beland.

De camperstaanplaatsen liggen verscholen achter de boerderij en de molen, en zijn aangebracht op een groot vierkant grasveld met rondom huizen. Op het veld staan zeven andere campers, allemaal Duitsers. We sluiten ons aan in de rij en komen bijna binnen te staan bij de achterbuurvrouw van de camperplaatseigenaresse, zodat we letterlijk kunnen zien wat voor eten er op de borden ligt. Voor de rest is het een zoek-maar-uitpakket met een vuilcontainer verstopt in de verste uithoek van het perceel. De loosplaats voor grijs water en het sanitair station om de toiletcassette te legen kan ik niet vinden. Die blijken weggemoffeld onder een metalen plaat, vertelt de eigenaresse me de volgende ochtend als ik afreken om te vertrekken. Ze voegt er direct aan toe dat we er geen gebruik van kunnen maken, omdat er zojuist een bus met toeristen is gearriveerd en de chauffeur het voertuig precies naast deze plaats heeft geparkeerd. Echt vriendelijk klinkt ze niet. We vinden het dan ook niet erg om te vertrekken, ook al is Leer een gezellige stad met een lange winkelstraat en een schilderachtige oude binnenstad, compleet met een historisch raadhuis en museumwijk. Bovendien is er een oeverpromenade langs de rivier de Leda die uitmondt in de Eems. Maar wat ons in deze stad het meest opviel is de hoeveelheid mensen dat rookt; dat zie je in Nederland echt een stuk minder. Misschien heerst er in Duitsland meer stress? Als ik naar de camperplaatseigenaresse kijk, zou dat zomaar kunnen.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (maandag, 16 augustus 2021 13:08)

    Leuk stuk, moest glimlachen om de laatste zinnen.

37. Zonder corona check app in de regen

Nadat hij drie weken als verhuiscamper heeft gefunctioneerd, ontheffen wij ons huis op wielen van zijn dubbele taak en trekken we er weer op uit zonder extra bagage. De eerste plaats die we aandoen is Niawier. Daar waren we eerder, in het vroege voorjaar. Toen stonden er vier campers en nu zijn we in het hoogseizoen en staan we er in ons eentje.

Het is broeierig warm als we vroeg in de middag van Niawier naar het nabij gelegen Dokkum fietsen. Tussen de wispelturige wolken aan het firmament schijnt de zon zo af en toe, zodat we ons vooralsnog geen zorgen maken over een nat pak. Die zijn er pas later, als we buiten bij de camper nasi eten. De eigenaresse van de camperplaats heeft ons een halfuur eerder al gewaarschuwd. De lucht zag er volgens haar niet goed uit. We konden de camper beter vanuit het gras naar het verharde stuk verplaatsen, wilden we straks niet vast komen te zitten, waarschuwde ze. Wij dachten dat het zo'n vaart niet zou lopen en besloten eerst ons eten op te eten met als gevolg een bord natte nasi en glibberende banden in het gras.

De volgende dagen blijft het weer wisselvallig. We rijden door naar Groningen, naar Kardinge, waar we ook al eerder zijn geweest. De eerste dag zijn we door de regen tot de camper veroordeeld, de dag erop schijnt de zon en worden we gewekt door een sportevenement. Vroeg uit de veren betekent vroeg op de fiets naar het centrum, op zoek naar een goede dunne regenjas waarin je niet transpireert. Dat wordt 'm niet, maar dat is voor deze dag niet erg, want het is pas in de avond dat de regen, bliksem en donder losbarsten. Vanuit de camper is het heftige weer boven het lange wuivende riet een prachtig gezicht. We genieten van de lange witte sliertwolken tegen de donkere achtergrond met daartussen oranje en geelgekleurde bliksemschichten. Door de donderslagen is het geluid van de televisie onhoorbaar en daarmee bombarderen we het schitterende uitzicht om ons heen tot nieuwe kijkbuis. Verder benutten we onze tijd met het downloaden van de corona check app, dat bij Rienk wel lukt maar bij bij niet. Het kan toch niet zo zijn dat mijn smartphone die ik in juni vorig jaar hebt gekocht al is verouderd, vraag ik me verontwaardigd af. We spelen de vraag door aan een medewerker van Cool Blue. Hij denkt dat het ligt aan het merk Huawei waar de afgelopen tijd veel om te doen is. Er zit weinig anders op dan een nieuwe telefoon te kopen, wat trouwens geen overbodige luxe is want Rienk heeft die van mij overgenomen toen ik een nieuwe kreeg. Eentje die nadat ik hem in 2018 met het scherm op een stenen vloer heb laten vallen, van barsten aan elkaar hangt en dus bijna uit elkaar valt.

Tussen de buien door fietsen we met ons nieuwe speeltje naar de camper in de veronderstelling dat we de volgende dag met onze corona check apps naar Duitsland kunnen. We zijn immers beiden twee keer gevaccineerd. Maar helaas: het lot beschikt anders. Ooit heb ik aangegeven bij mijn DigiD geen SMS-identificatiecode te willen. Die had ik niet nodig, ook nooit nodig gehad; tot nu dus. En laat het nou zo zijn dat de overheid deze code alleen naar ons vaste woonadres wil sturen. We zullen dus terug naar huis moeten. Dat dit al zo snel na de verhuizing zou zijn, hadden we niet voorzien. De buitenlandplannen moeten nog even in de koelkast blijven.

Ondertussen vermaken we ons met het bezoeken van plekjes dicht bij de grens en strijken we in Winschoten neer, bij de haven. Net als in Niawier en Groningen ook hier heel weinig campercollega's. We worden verwelkomd door een Nederlandse vrouwelijke camperaar die in Duitsland woont. Zij neemt de honneurs waar voor de havenmeester die momenteel ergens anders is. We kennen haar wel, want de vorige keer was de havenmeester ook elders. Dat was vlak voor de corona uitbraak in Nederland toen wij nog met de camperbus waren. Ik herinner me dat het vreselijk regende en zij met een regenkapje over het haar op ons raampje klopte voor de betaling. Eigenlijk net als nu, met dit verschil dat het deze keer echte ouderwetse zomerbuien met rollende donders zijn, zeker tweemaal zo heftig als de voorjaarsbui van destijds.

Veel verder dan de supermarkt in Winschoten komen we niet en blijkbaar geldt dit ook voor andere mensen. Bijvoorbeeld een man die er plezier in schept om een ware versiertruc op mij los te laten. Hij staat voor een rek met zilveruitjes en vraagt me welke soort er in de salade moet. Hij wil dat ik zijn ogen ben.

Ik haal mijn schouders op en wijs een potje aan: "Ik zou het niet weten. Misschien dat dit iets is." De man schudt zijn hoofd. "Nee, die zijn het niet. Weet u het echt niet?"

"Nee, echt niet," antwoord ik, "ik gebruik nooit zilveruitjes in de sla, en als u het niet erg vindt, ga ik nu weer verder met mijn eigen boodschappen." De man mompelt wat en ik loop door naar de vleesafdeling. Merk ik ineens dat er iemand heel dicht achter me staat. In mijn onschuld denk ik eerst nog dat het Rienk is, totdat ik zijn stem heel dicht bij mijn oor hoor: "Waar liggen hier de kippenballetjes?"

Ik draai me om: "Oh, u weer? Nou die liggen niet hier, hoor, dit is de vegetarische afdeling", zeg ik kribbig. Ik ben bijna geneigd om hem naar zijn corona check app te vragen. Deze gebeurtenis op zo'n korte afstand is normaal gesproken al onwenselijk, maar nu in coronatijd helemaal. Maar misschien heeft hij helemaal geen app, schiet het door me heen, misschien zit hij, net als ik, op een verificatiecode te wachten, verveelt hij zich en weet hij niets anders te bedenken dan vrouwen in de supermarkt lastig te vallen...

Commentaren: 0

36. Verhuiscamper

Het is op de camperplaats in Gouda dat we horen dat we voor een huisje in het Friese Molkwerum in aanmerking komen. Niet dat we nu op alweer een verhuizing zitten te wachten, maar sinds we huren is er telkens iets. In het eerste huisje was schimmel en stond het water in de kasten en in het tweede huisje, ons huidige appartement, hangt een onuitroeibare rioolstank. Nu zijn we er natuurlijk niet zo heel veel, omdat we voornamelijk met de camper op pad zijn maar leuk is anders. Die stank trekt overal in, dus ook in je kleding die je af en toe wilt omwisselen.

Als het aan ons ligt hoeven we eigenlijk helemaal geen huis, maar daar is onze overheid niet op ingericht. Aan een vast woonadres ontkom je niet. En als het dan toch zo moet zijn dat een echt huis verplicht is, dan wil je het ook voor een vast atelier met opslag en postadres een beetje voor elkaar hebben. De basis moet goed zijn, zodat je er met een gerust hart op kunt terugvallen, al is het alleen maar voor het draaien van een was of het kijken naar een film op een groot televisiebeeld en natuurlijk voor het voorbereiden van nieuwe kunstprojecten. Alle benodigde materialen liggen hier opgeslagen en dat geldt eveneens voor de schilderijen die naar exposities moeten. Vandaar dat we weer richting noorden koersen om te kijken wat dit huisje voor ons in petto heeft.

Molkwerum is een schattig plaatsje van een kleine vierhonderd inwoners, direct aan het IJsselmeer gelegen. Dat wisten we natuurlijk al, want het ligt precies tussen onze voormalige woningen in Warns en Koudum in. Wat we nog niet beseften, is dat het een dorp is met een rijk zeevaardersverleden, dat wel het Venetië van het Noorden of het Friese doolhof werd genoemd. Ooit was Molkwerum gebouwd op zeven eilandjes, pôllen in het Fries. De dorpsbewoners hielden contact met elkaar via bruggetjes en planken over het water. Het was dus een wirwar aan straatjes, kanalen en bruggen. Nog steeds lijken de meeste huizen kriskras door elkaar te staan en roepen zo een sfeer van een bekoorlijke eenvoud op. De naam Molkwerum zou afgeleid zijn van melkweren: geschikte grond om melkvee op te weiden. Het plaatsje was tevens beroemd om de handel in zwanen-pekelvlees. Het dorpswapen en de vlag van het dorp verwijzen hier nog naar: een witte zwaan in een zwart veld. Verder maakte de Molkwerumer koekfabriek tot voor kort de beroemde Molkwarder Koeke, een specifiek Friese lekkernij. De nostalgische inrichting van het bakkerswinkeltje naast de koekfabriek, nu museum, brengt het verleden van het dorp tot leven. Bovendien zijn er nog het voormalige rechthuis uit 1697 en de Hervormde Kerk uit 1850.

Het huisje oogt eenvoudig en is heel geschikt voor ons doel: slow living. Ook de verhuizing staat hier in het teken van. Voorafgaand aan de uittocht bezoek ik voor het eerst sinds lange tijd het kunstenaarscafé Leeuwarden, oftewel de open coffee die deze keer niet in de Friese hoofdstad plaatsvindt, maar in een galerie in Exmorra. In en rond de galerie is een kunstroute uitgezet die we afleggen na een kop koffie. Het is super gezellig iedereen weer eens even te zien en er wordt heel wat afgelachen.

Na het kunstenaarscafé gaan Rienk en ik verder naar Oosterbierum, waar een nieuwe camperplaats bij een boerderij is aangelegd. Tussen de graanvelden, met aan de ene kant in de verte de kerk en aan de andere kant uitzicht op de zeedijk, staat het heerlijk rustig. Samen met twee jonge Duitsers en hun baby van acht maanden zijn we de enige camperaars. Rondom de stal staan picknicktafels en water mogen we binnen halen, daar waar vroeger de koeien stonden.

Daarna breekt de verhuisperiode echt aan, en daarmee ook een nieuwe functie voor ons huisje op wielen, namelijk die van verhuiscamper. Je wilt niet weten hoeveel spullen er in de garage kunnen; we hoeven maar acht vrachtjes te rijden, inclusief het spiksplinternieuwe laminaat dat moet worden verwijderd en we zolang op de zolder van ons nieuwe huis neerleggen. Eerst de huisraad overbrengen en dan vloeren leggen is niet de handigste volgorde. Na vier verhuizingen in nog geen anderhalf jaar tijd is de animo om in te richten er inmiddels behoorlijk af. Voor de grootste meubels, langer dan 1.80 meter, huren we een kleine verhuiswagen, zodat we in totaal slechts negen keer heen en weer hoeven. Om het verschepen van meubels en vooral veel kunst en materialen leuk te houden, hebben we de ene dag een inlaaddag in Sint-Annaparochie en de andere dag een uitlaaddag in Molkwerum, met tussendoor snacks op een terrasje en overnachtingen op de parkeerplaats in Sint-Annaparochie en de camperplaats in Warns, om-en-om.

Uiteraard zitten er ook een paar dingen tegen, zoals een opgebroken weg waardoor we steeds zijn genoodzaakt om te rijden en een defect aan de lift die gelukkig snel is verholpen. Maar het ergste is dat we de deur dicht trekken, terwijl al onze sleutels in huis liggen. Een geluk bij een ongeluk staat de balkondeur wagenwijd open, zodat je met een trapleer zo naar binnen kunt. Maar hoe kom je aan een ladder? Misschien dat er een in de gezamenlijke berging staat? Na een tijd wachten op de komst van een bewoner, krijgen we de sleutelbos van een hulpvaardige buurman mee, met daaraan een sleutel voor de berging en een sleutel voor de binnentuin waar alle voordeuren op uit komen. En ja, vraag me niet van wie, maar midden in de bergruimte, naast de fietsen, ligt een ladder! De rest was dankzij Rienk gauw gepiept.

En zo rommelen we maar door en spreken we ondertussen veel mensen. Nieuwe buren in Molkwerum, oude buren in Sint-Annaparochie, en zelfs een heel aardige buurvrouw buiten het appartement die we nog nooit hadden gezien. En ook onderweg treffen we bekenden, onder wie in Stavoren een van mijn oud-cursisten Poëzie en in Warns op de camperplaats een beeldhouwster die in de galerie exposeerde. Dat is nu precies het leuke van het rondtrekken met een camper, je komt altijd wel ergens een bekende tegen. Onze camper alias huis en atelier op wielen blijkt zijn oude functie nog niet te zijn verloren, ondanks dat hij nu tijdelijk is omgedoopt tot verhuiscamper.

Commentaren: 0

35. Roerig Gouda

We zijn deze keer langer dan normaal in Gouda. Dat heeft geen bepaalde reden. Het is gewoon mooi weer en wij hangen de toerist uit in de stad waar we zo lang hebben gewoond; Rienk langer dan ik. Er liggen veel herinneringen: de middelbare schooltijd, de banen, de vrienden... Bovendien is Gouda de stad waar we elkaar hebben leren kennen, waar we zijn getrouwd en waar twee van onze kinderen zijn geboren. Bijna elke straat, plein en/of activiteit vormt een herkenningspunt. De brocantemarkt rond het stadhuis op de markt is er nog steeds op elke zomerse woensdag, evenals de stroopwafels, kaarsen en kazen, de oude straatjes achteraf waar planten en bloemen welig tieren, de waterlelies in de gracht, de Visbanken, de Sint-Janskerk met daaromheen de galerietjes en musea, de grote sluizen, het binnenvaartmuseum en de garenspinnerij. Soms zijn dingen verplaatst, zoals het beeld 'De Steltlopers' van de Kleiweg naar de Raam of zijn er dingen bijgekomen waaronder de Stroopwafelmuur en het Stadsstrand. We lezen op een gebouw de spreuk van Erasmus: 'Reizigers zijn in deze wereld, geen bewoners' en beseffen hoe waar zijn woorden zijn. Dat geldt ook voor een andere tekst, schuin aan de overkant: 'Lees de omgeving uitgebreid, dan loop je rijker verder.' We doen ons best.

De Goudse camperplaats grenst aan de 'Chocoladefabriek': een bibliotheek met horeca, waar vroeger de gemeente was gevestigd en waar ik nog een blauwe maandag op de afdeling Burgerzaken heb gewerkt. Na de roerige tijden van een paar jaar geleden, waarbij de camperplaats door dubbel geparkeerde campers was uitgegroeid tot een middelgrote camping met wijd uitgezette tafels, stoelen, windschermen, luifels et cetera, lijkt de rust weergekeerd. Rode strepen geven het territorium aan van de campers en witte strepen die van personenauto's; een mixparking waar iedereen hetzelfde tarief betaalt. Eenvoudig genoeg zou je denken, maar juist die twee kleuren strepen met afbakeningen van verschillend formaat zorgen voor wanorde. Campers en personenauto's komen door elkaar te staan met soms maar een paar centimeter ruimte ertussen en dat levert irritaties op. Een bruin verbrande man met geblondeerd haar, geperst in een strak shirt in fel turquoise rijdt de stekker van onze elektriciteitskabel stuk. Aanvankelijk lijkt hij zonder er iets over te zeggen, weg te willen lopen. Als Rienk hem op de kapotte stekker attendeert, betaalt hij na kort aandringen de schade. Hij oogt nerveus, niet zonder reden, zal later blijken. 's Avonds komt hij terug in gezelschap van een dame met wie hij een date had. Geen succesvolle, zo te zien, want de vrouw neemt afscheid zonder kus. Hij probeert haar zolang mogelijk aan het lijntje te houden en doet zijn best om haar te strikken voor een van de talrijke bestemmingen die hij als mogelijkheid voor een volgend uitje oppert. Om zijn woorden kracht bij te zetten stoot hij keer op keer breed gebarend met zijn armen tegen onze camper aan en dansen de plantjes hitsig mee. Het mag niet baten. De vrouw loopt met steeds grotere stappen naar achteren, weg, zo snel mogelijk van zijn amoureuze bedoelingen vandaan.

Wij richten onze blik van de film buiten naar die van binnen. Een vrouw trekt zich terug in een oud huis midden in onbewoond en koud Canada. Een verstilde film, waarin weinig wordt gesproken, des te opmerkelijker is het hevige lawaai dat opeens door de camper klinkt, of nee, erboven. Dolbi surround, een ruimtelijk geluidseffect. Een helikopter draait rondjes boven de camperplaats. We gaan naar buiten en treffen een propjesprikker die vrijwillig achtmaal per jaar op een zaterdag de camperplaats onder handen neemt. Gezamenlijk kijken we naar de lucht. De duisternis valt in. We keuvelen nog wat door. Gouda is onrustig. Een opstootje hier, een uit de hand gelopen ergernisje daar. 's Middags waren we getuige van een vrouw die fruit stal op de markt. Een jongen met een meisje achter op zijn fiets werd boos op een automobiliste, omdat ze hem bijna had geschept. Op een rotonde remde een automobiliste keihard en sloeg een fietspad in. Ze schrok er zelf van en wist niet hoe ze verder moest. Met de handen in de hoogte reed ze bijna van een talud. Een vrouw met bril en groen shirt, een hond aan de lijn, zag het gebeuren en hield mij staande om te zeggen dat ze mij hier op dezelfde plek een paar minuten geleden ook zag. Bij elkaar een aantal op zichzelf staande gebeurtenissen die we oprakelen. De propjesprikker dient als gretig luisterend publiek. We gaan pas naar binnen lang nadat de helikopter is verdwenen.

Normaal gesproken is dit een plek waar ik weinig opvallends zie gebeuren; behalve een keer een man in ochtendjas en blote benen bij de betaalautomaat en een vrouw met twee lammetjes aan de lijn die de parkeerplaats overstak. Daar is nu blijkbaar een kentering in gekomen. Wij slapen er een nachtje over om ons op te maken voor een volgende dag met nieuwe kennismakingen, zoals met de van origine uit Limburg afkomstige man in een oude legerauto die naast ons staat. Hij heeft hem helemaal zelf verbouwd, met behoud van de originele kenmerken, en woont er permanent in. Hij reist veel door Engeland en is nu in Gouda om zijn vriendin te bezoeken. De 'opzichter' mengt zich in het gesprek. We noemen hem zo, omdat hij elk uur over de camperplaats loopt, op zoek naar nieuwkomers en deze schaamteloos observeert. Hij vertelt dat hij is afgekeurd door een arbeidsongeval en een huis in Duitsland heeft. In plaats van zijn jaarlijkse verblijven in Spanje, bivakkeert hij dit jaar veel in de buurt van Gouda.

In de middag arriveert een Italiaanse familie, van wie de moeder en twee zoontjes roodharig zijn. De baby lijkt op zijn vader en heeft net als hij zwart haar. Met zijn vijven trekken ze door ons land in een oude camper met klemmende deur. Het is ineens een drukte van belang met continu heen-en-weergeloop, gepraat en slaan met deuren. De 'opzichter' trekt zijn wenkbrauwen op.

Ja, deze keer is er dus veel te zien. Dat vindt ook een mevrouw die haar auto parkeert. Met haar sleutels in de hand en een gelukzalige glimlach om haar mond staart ze naar de rij campers. Als we langs haar lopen, vertelt ze dat het haar droom is er in de toekomst ook eentje te kopen. Ze is een enthousiaste vrouw met het hart op de tong. Na afloop bedankt ze ons voor het gesprek en trekt haar knaloranje T-shirt recht. Met het shirt en de rood-wit-blauwe banden van haar polsen tot aan haar ellebogen is ze helemaal in de stemming voor de Europese Kampioenschappen. Vanavond speelt Oranje.

Wij gaan nog even fietsen naar Boskoop en Reeuwijk. Onderweg bij een Hup-Holland-Hup-kraampje, langs de weg in het weiland, stappen we af en hebben een praatje met de verkoper. Even later passeert het oranje T-shirt met rood-wit-blauwe polsbanden en claxonneert luid. Ze hebben allemaal zin in de wedstrijd vanavond. Hun opgetogen gedrag en betrokkenheid mogen echter niet baten; Nederland verliest en ligt eruit.

Commentaren: 0

34. Halfjaar in de camper

Het is bijna de tweede helft van juni en ons camperavontuur lijkt tijdelijk uit te doven door tal van onvoorziene omstandigheden die eerst moeten worden opgelost. De voorlopig laatste onbezorgde vakantiedagen brengen we door in de grensstreek, nog altijd met De Heurne als camper locatie. We gaan naar Werth, waar we door een poort onder het voormalig raadhuis, een wit gebouw met rood-witte luiken, door rijden naar de Peter und Paul Kirche boven op een heuvel. Vanaf deze plek kun je het kleine plaatsje goed overzien. Werth valt sinds 1975 onder de stad Isselburg die we eveneens bezoeken. We komen daar langs het Raadhuis met het monument ter herinnering aan de ijzergieterijen. Andere hoogtepunten in deze stad zijn de Stadstoren en de Bartholomeuskerk met daarvoor de zogeheten Ständebaum, die in de maand mei is versierd met een meikroon. Aan de overkant van het water staat tussen het hoge groen de Wäscherin aan de Issel, een beeld gemaakt door Erika Rutert. Ernaast een bankje met uitzicht op de kerk en de toren, met daarbij een camperplaats. Omdat er geen enkele camper staat, vragen wij ons af of de camperplaats wellicht door corona nog gesloten is.

Wat in ieder geval dicht is, is het nabij gelegen Kasteel Anholt. Zo door de grote ijzeren hekken en van een afstand te zien is het kasteel een heel mooie Waterburcht, dat zeker een bezoek waard is. Jammergenoeg zijn we net een dagje te vroeg, lezen we op het bord aan het hek, want de volgende dag gaat Anholt weer open. Echter, de volgende dag zit het avontuur er even voor ons op en rijden we terug in noordwestelijke richting. Over Hattemerbroek waar we stickers met de Friese vlag voor onder het nummerbord ophalen. Bij toeval komen we in Zalk terecht, bekend van het 'kruidenvrouwtje' Klazien. Vlak bij haar voormalige huis eten we een boterham.

In het noorden is het qua camperaars een drukte van belang en nergens plek. We bellen in het rond en reserveren in Lekkum voor na het weekend. Op vrijdag tot en met zondag staat alles vol. In Leeuwarden kunnen we nog wel terecht, althans dat zegt de meneer door de telefoon, maar als we arriveren is daar ook alles bezet en is er bovendien geen receptie te bekennen. We bellen naar de camping in Sint-Annaparochie. Ook daar geen camperplaats onbezet. Wel mogen we voor de aankomende nacht - bij wijze van uitzondering - op het grote campingveld staan, dat eigenlijk is bedoeld voor caravans en tenten. Dat is fijn, want zo zijn we alvast voor één nacht uit de brand. Blijft de overbrugging van de twee daarop volgende nachten. Als we langs ons appartementencomplex rijden, zien we dat de verste en meest comfortabele parkeerplaats met ruimte voor 'overhanging' op het gras vrij is. Dat wordt het begin van een hele reeks overnachtingen met uitzicht op ons appartement. Gratis en voor niets met heel veel aanspraak van de buurt. Mensen vinden het geweldig zo'n grote camper op de parkeerplaats en zijn benieuwd naar het verhaal erachter, dat wij natuurlijk graag vertellen. Zij blij, wij blij, en helemaal als de kikkers uit de naburige sloot ook nog eens van zich laten horen. Voor de eerste keer dit jaar. Thuis draai ik wat wassen en onderwijl maken we een fietstocht langs het Wad naar Westhoek, waar we over een dam de zee inwandelen. Bij de start is het eb maar het getij keert snel, sneller dan verwacht zodat we even later met natte voeten terug op de fiets zitten.

Na het weekend is het dus tijd voor een paar dagen Lekkum, gezellig keuvelen, fietsen, eten en wandelen met onze dochter, vriend en hond. Ook komt er een vriendin van mij langs. Zij ambieert eveneens het zwervend bestaan en arriveert met een camperbusje. We showen elkaars onderkomen. Die van haar wil ze opvrolijken met het sierkussen, dat ik met de hand heb gemaakt uit kledingrestanten ooit door mij gedragen en dat ze heeft gewonnen met de prijsvraag die ik had uitgeschreven naar aanleiding van de honderdste nieuwsbrief. Een ander kunstwerk, gewonnen met diezelfde prijsvraag, breng ik de dag erop naar een tweede winnares in een plaatsje in de buurt. Hiermee heb ik het nieuwsbrieftijdperk voorgoed afgesloten.

Na Sint-Annaparochie en Lekkum gaan we altijd door naar Warns en Gouda. Dat zijn de vaste locaties die horen bij het 'thuisbezoek' met elk zijn eigen functie. Sint-Annaparochie als basis, Lekkum als ontmoetingsplek voor onze dochter, Warns voor huisarts- en tandartsbezoek en Gouda voor een visite bij Rienks moeder. Zo ook deze keer. In Warns is het warm, achtentwintig graden. De zomer zoemt tussen het hoge gras waar we met een koel drankje en toastje zitten. De verharde plekken zijn al vergeven, wat we helemaal niet erg vinden. We hebben namelijk een prachtig stukje weten te bemachtigen tussen een vlier en een toverhazelaar met daarachter de voorbijvarende bootjes en boten; van roeibootje tot superjacht of binnenvaartschip. Het is 21 juni en we vieren dat we vandaag precies een halfjaar in de camper wonen; gestart op de kortste dag en nu beland bij de langste dag. Een heerlijke tijd, waarin we alle weerselementen voorbij hebben zien komen. Een beetje zoals nu in sneltreinvaart tijdens de korte periode dat we hier staan: van achtentwintig graden, droog en zonnig, in vierentwintig uur tijd naar tien graden met regen. Heel veel regen. Het grasland vol kuilen vult zich met water, waardoor we niet veel anders kunnen doen dan 'spelen met onze speeltjes'. Rienk op de laptop en ik bezig met het beschilderen van de houtsplinter die Rienk op het drielandenpunt in Vaals had gevonden. Het wordt een flatgebouw, in de stijl van de 'Harkitecten'-serie die ik vorig jaar op doek heb gemaakt. Een 'ruimtelijke Harkitect', noemt de sierkussenvriendin het resultaat en dat vind ik een geweldige benaming waar ikzelf niet op was gekomen.

Rienk vindt het jubileum een visje waard en samen gaan we op de fiets naar Laaksum zodra de regen is gestopt. Op het terras kijken we over het rimpeloze IJselmeer, dat erbij ligt als een spiegel, en zeggen we voor de zoveelste keer tegen elkaar: "Wat hebben we toch een mooi leven!" Rienk achter zijn kibbeling en ik achter een gehaktbal. We hebben veel gemeen, maar in de vis zullen we elkaar nooit vinden.

Commentaren: 0

33. Twee landen, één dorp

De eigenlijke reden dat we op de camperplaats in De Heurne staan, is dat we naar Obelink Vrijetijdsmarkt in Winterswijk wilden. We hadden gehoord dat het aanbod er zo groot is, dat er speciale overnachtingsvelden voor campers zijn aangelegd. En dat bleek inderdaad ook zo te zijn, alleen heeft de gemeente daarna verboden om er de nachten door te brengen. Dat was een tegenvaller, zeker met het weekend voor de deur wanneer de camperplaatsen en campings altijd overvol zitten. We gaven onszelf een uur om de winkel door te lopen en een indruk op te doen, hoewel het eigenlijk te warm was voor zo'n activiteit en het assortiment te groot om binnen zo'n korte tijd te bekijken. Het was dan ook met een beetje onbevredigend gevoel dat we na ons bezoek de omgeving afstruinden op zoek naar een leuke plek. Dat viel niet mee, totdat er in De Heurne toch nog een plaats vrij is.

Het ziet er hier gezellig en gemoedelijk uit. Eenzelfde opstelling als in De Lutte, alleen met minder campers, twaalf in totaal. Doordat alle campers elkaar met de snoet aankijken, heeft het iets weg van een klein dorpje, waar contacten gauw gelegd zijn. Direct bij aankomst stuiten we op mensen uit Opperdoes, bekend van de aardappel. Ook wij komen uit een aardappelgebied: 't Bildt met de zo bekende Bildtstar. Aardappeleters onder elkaar, zeg maar.

Een paar plaatsen verderop staan een beeldend kunstenaar en zijn vrouw. Hij reageert enthousiast op het reclamebord achter het laatste linker raampje van onze camper met daarop mijn website. Dat bord werkt trouwens goed, zeker in combinatie met de bedrukte kussens achter de andere ruiten. Mensen worden erdoor getriggerd en op menige camperplaats wordt mijn werk een onderwerp van gesprek. Maar zo gek als met de vloggers die twee plaatsen naast Opperdoes staan, loopt het nog lang niet. Die herken je zelfs zonder ze te zien. De stem van de man die het terrein komt op lopen, hoort onmiskenbaar bij CamperTv, een professionele campervlogger die wij al een tijdje volgen. Toevallig heeft hij de dag ervoor een video over matrassen in De Heurne opgenomen. En hoe leuk, zijn vrouw, die ook in de vlogs meespeelt, heeft een eigen boekenblog. Het wordt een aangenaam gesprek met veel uitwisselingen tussen Opperdoes, CamperTv en ons. Op zo'n inspirerende camperplaats waren wij nog niet eerder en het spijt ons dat ze alle twee al na twee dagen vertrekken, direct gevolgd door de kunstschilder. Ik zie dat CamperTv voor vertrek zijn reclamenummerbord heeft verwisseld voor zijn normale autonummerplaat. Dan vind ik mijn reclamebord toch makkelijker. Dat is altijd en overal zichtbaar.

Wij gaan naar Dinxperlo, slechts vier kilometer verderop, dat samen met het Duitse Suderwick een tweelingdorp vormt. De dorpsgrens is tegelijk de landsgrens. Beroemd is de 'Heelweg' met zijn Duitse trottoirrand als grens. De Suderwickers die daar aan de 'Hellweg' (de Duitse benaming) wonen, kunnen slechts over Nederlands grondgebied bij hun woningen komen - behalve wanneer ze te voet over het Duitse trottoir gaan. De huizen aan de Nederlandse kant hebben even en die aan de Duitse kant oneven nummers en het grappige is, dat de straat qua huizenstijl en lantaarnpalen aan de ene kant Nederlands aandoet en aan de andere kant Duits. Om het grensgebied extra te benadrukken, hebben de grensstenen een soort 'stoepje' van typisch Nederlandse klinkers en Duitse granietstenen gekregen. Ook zijn er rood-witte slagbomen met de tekst Zoll/douane. Extra bijzonder vind ik de nauwe burenband tussen beide plaatsen die tezamen ook wel Dinxperwick worden genoemd. Ze hebben een eigen plaatsnaambord ontworpen; voor de helft met witte letters op een blauwe achtergrond(Dinxpe), voor de helft met zwarte letters op een gele achtergrond (rwick). En daaronder: Grenzeloos Europa Grenzenlos. Ook staat er een vlaggensculptuur met de Nederlandse, Duitse en Europese vlag. Verenigingen en individuele mensen zetten zich in om een goede grensoverschrijdende gemeenschap te zijn. Zo heeft Dinxperlo het eerste gedeelde Nederlands-Duitse politiebureau, gebruiken Dinxperloërs Duits drinkwater, is Suderwick aangesloten op de Nederlandse riolering en gaan Suderwickse kleuters naar de Nederlandse basisschool. Daarnaast is er een grensoverschrijdende woonzorgzone aan de Heelweg/Hellweg. Deze zone bestaat onder meer uit een verpleeghuis in Nederland en een woonvorm in Duitsland die met elkaar zijn verbonden door een ontmoetingsplek die de straat overbrugt. Als je nog meer wilt weten over dit bijzondere gebied en de grens die sinds 1766 tussen deze twee dorpen ligt, dan kun je naar het Grenslandmuseum als dat weer is geopend. Wij gaan er voorlopig niet heen, maar misschien is het wel een leuke vlogtip voor CamperTv?

Commentaren: 1
  • #1

    Jannie Harmsen (zondag, 01 augustus 2021 15:54)

    Zie het weer helemaal voor me Connie. Graag je leuke verslag gelezen!

32. Grensplaatsen

Vanuit onze camperplaats in De Lutte fietsen we naar Oldenzaal. Rienk heeft onze rijwielen net nagekeken, want ze maakten een krakend kabaal. Na dit klusje in de brandende zon hebben we lekker gegeten op een klein schaduwrijk stukje tussen de camper en de oprijlaan met de paarse rododendrons in, zodat we er - net als de fietsen - weer even tegen kunnen.

In Oldenzaal is het markt. Dat brengt gezelligheid met zich mee, want met de gesloten Sint-Plechelmusbasiliek is er verder weinig te beleven. Plechelmus was een Ierse monnik uit de achtste eeuw. Er staat een standbeeld van hem voor de kerk; bij de toren die maar liefst zestig meter hoog en meer dan dertien meter breed is. Behoorlijk aan de maat dus. Vanwege zijn kleur wordt hij de 'Oude Grijze' genoemd. Verder kent Oldenzaal twee winkelcentra: de 'Driehoek' en de 'Vijfhoek'. Je zou verwachten dat de 'Vijfhoek' het grootste gebouw is, maar dat blijkt niet het geval. Het is juist de 'Driehoek' met zijn drie overdekte passages, veertig winkels en een licht middenplein, dat eruit springt. Van Oldenzaal rijden we verder naar Losser, waar we tegen de avond arriveren. Hier is het oude gedeelte rondom de Martinustoren op het Marktplein het interessantst. De toren is het enige restant van de gelijknamige kerk die in 1904 is afgebroken. Van de kerk zijn alleen de contouren nog zichtbaar.

Na de plaatsjes aan de Nederlandse kant te hebben bezocht, wordt het tijd om over de grens te kijken. Nordhorn staat als eerste op het programma. We stippelen een mooie route uit, over smalle paadjes dwars door de bossen. Prachtig om te rijden, maar minder geschikt om te navigeren. Geen enkel bereik. Na veel gemaakte kilometers haken we vlak voor de stad af en proberen het de volgende dag opnieuw; ditmaal langs het Nordhorn-Almelokanaal. Een kaarsrecht fietspad met aan weerszijden prachtige begroeiing: wollig groen onderbroken door Fluitenkruid. We pauzeren op een bankje tegenover een houten huis op palen dat in het water staat; vlak bij een brug. Daarna nog even doorfietsen waarbij we nog meer bruggen passeren, en dan zijn we in het centrum.

Nordhorn is een waterstad; de rivier de Vecht omstroomt de binnenstad. Tegen het Stadspark aan ligt de Kornmühle; een van de weinig nog overgebleven historische gebouwen. De oude watermolen uit de veertiende eeuw werd tot in de vorige eeuw aangedreven door waterkracht van de Vecht, totdat hij in 1931 werd vervangen door elektrische aandrijving en in 1970 uiteindelijk buiten gebruik werd gesteld. Een stukje verderop staat de St.-Augustinuskerk, een indrukwekkend gebouw en tevens belangrijkste katholieke kerk van Nordhorn. Achter de kerk vind je het winkelgebied; een voetgangerszone. De brede winkelstraat - met weinig begroeiing en nog minder terrassen en bovendien nauwelijks mensen op de been - doet kaal aan, en tegelijkertijd ook heel Duits. Ooit groeide de stad uit tot een van de grootste textielcentra van Duitsland. Vanaf de jaren '70 kreeg de textielindustrie echter te maken met ingrijpende veranderingen en de wereldwijde olie- en energiecrisis. De textielfabrieken gingen failliet. Op de plek waar de Povelfabrieken stonden, werd halverwege de jaren '90 het nieuwe woongebied Wasserstadt Povel ontwikkeld. In de spinnerijtoren kwam het Stadsmuseum en de voormalige weverij doet nu dienst als cultureel centrum. De totale restauratie van het circa achttien hectare grote braakliggende terrein duurde jaren en werd een stedenbouwkundig voorbeeld van formaat.

Het bivakkeren in grensgebied bevalt ons wel. De volgende Duitse stad die we aandoen is Bocholt, ongeveer zeventig kilometer zuidwaarts. De camperplaats in De Heurne van waaruit we Bocholt bezoeken, bevindt zich op gelijke hoogte, maar dan aan de Nederlandse kant. Ook Bocholt was ooit groot in textielnijverheid, maar deze plaats was helaas hetzelfde lot beschoren als Nordhorn.

We komen het centrum binnen bij een winkelcentrum, Shopping Arkaden geheten. Het is rond etenstijd en we gaan op zoek naar een warme lunch. Die is in de Arkaden wel te vinden, echter vanwege corona is er geen gelegenheid om die ergens zittend op te eten. Ook buiten, naast het gebouw, staan geen bankjes waarop we kunnen neerstrijken. Misschien hebben we iets verder meer geluk. We gaan langs de rivier de Bocholter Aa met op de oever de St. Joriskerk. Achter deze Gotische kerk ligt het historisch stadhuis, gebouwd in de stijl van de Nederlandse renaissance. Het geldt als een van de mooiste stadhuizen in Duitsland. Beide bouwwerken zijn bestempeld tot de meest markante van de stad. De weekmarkt wordt net opgebroken en de terrassen opgebouwd. Je zou denken dat hier wel iets lekkers te vinden mag zijn, maar nee, het is enkel ijs dat de pot schaft, en waarvan de Duitsers gretig gebruikmaken. Wij hebben liever iets hartigs en dat blijkt buiten de Arkaden niet voor het oprapen te liggen. Net als we de moed beginnen op te geven, stuiten we in een zijstraat op een piepklein stenen gebouwtje, een soort kraampje, waar ze curryworst met patat verkopen en die smaakt best op een van de zitjes buiten.

Tja, het is leuk om af en toe over de grens te gaan en een stukje buitenland te proeven, maar als ik heel eerlijk ben, vind ik de Nederlandse plaatsen in deze streek gezelliger dan de Duitse. Het is dan ook met een blij gevoel dat we terugfietsen naar het Nederlandse De Heurne en ons de volgende dag in Aalten te goed doen aan een heerlijke maaltijd op een goed gevuld terras.

Commentaren: 0

31. Regen, kunst en bier

We zijn inmiddels al aardig wat gewend als het om regenval gaat, maar De Lutte overtreft werkelijk alles. Als we arriveren is er nog weinig aan de hand. Een mooie, gemoedelijke plaats in een lieflijk landschap van weiden, gewassen, koeien, riviertjes en bossen en heel opvallend: overal paarse rododendrons.

Vlak bij de camperplaats ligt het natuurmonument en recreatiegebied het Lutterzand, voor een groot deel omzoomd door de Dinkel die een grillige grens vormt tussen lager gelegen stroomdalgraslanden en een uitgestrekt, hoger gelegen stuifzandgebied. De loop van de rivier meandert sterk en veroorzaakt diepe insnijdingen in de bodem. Bij de steil aflopende kanten is het niet veilig lopen. Vandaar dat er op de meest precaire locaties houten hekken zijn neergezet die qua vorm net zo kronkelen als de loshangende wortels boven het water. De Dinkel is een van de weinige rivieren in Nederland die haar oorspronkelijke karakter heeft behouden. Bovendien is het Lutterzand benoemd tot Aardkundig Monument; een aanduiding bedoeld om mensen bewust te maken van de ontstaanswijze van een specifiek landschap.

De eerste avond maken we een prachtige wandeling. Daarna gaat het loos met de regen en dat zal de camperplaatseigenaar weten ook. Het terrein ligt naast een voormalige boerderij en komt compleet onder water te staan. Het lijkt wel een rijstveld. Met rood-witte kettingen zet de boer elk uur een stukje meer van zijn land af, totdat er niets meer af te zetten valt en hij het bordje 'camping vol' aan de kant van de weg zet. Over het gras rijden is onmogelijk geworden. We zijn dus gedoemd te blijven totdat het water zakt. Dat gebeurt pas na twee dagen en omdat er dan direct ook weer nieuwe campers arriveren, wordt het land alsnog finaal aan gort gereden. Dit betekent wederom werk aan de winkel voor de eigenaar. Met een tractor nivelleert hij de ontstane sporen; steeds opnieuw en opnieuw, net zolang tot het grasland goed berijdbaar is en hij stuk voor stuk alle rood-witte kettingen verwijdert.

Na de extreme nattigheid slaat het weer om. Het wordt echt warm, zodat de eerste camperaars al gauw naar buiten komen. Na twee dagen noodgedwongen binnen zitten, zijn ze wel weer toe aan een praatje. Een van die camperaars blijkt een buurman te zijn geweest van een stel dat twee jaar geleden ons huis in Warns heeft gekocht. Voor de zoveelste keer beseffen hoe klein de wereld is.

De regen mag dan wel zijn gestopt, maar daarmee nog niet de overlast van de bomen waar we onder staan en waaruit constant allerlei viezigheid en insecten vallen. Elke dag moet Rienk de telescoopladder tevoorschijn halen om het zonnepaneel schoon te maken. Een vies paneel kan immers slecht opladen.

We blijven langer dan een week op deze plaats, zo mooi vinden we het hier. Niet alleen genieten we van het Lutterzand, maar ook van de omgeving en plaatsjes eromheen, zoals Denekamp en Ootmarsum en in mindere mate De Lutte, waar we elke middag een ijsje halen.

Het eerst gaan we naar Denekamp, waar de kerk, opgetrokken uit Bentheimer zandsteen, beeldbepalend is. Je ziet direct dat deze is gewijd aan Nicolaas van Myra. Binnen zit de heilige Nicolaas letterlijk hoog te paard en buiten staat een beeld van hem met boek en staf, waar hij met drie kinderen in gesprek is. Een stukje verderop zien we een wit beeld van drie nonnen met daaronder de tekst 'zij kwamen om te dienen'.

Even voorbij het centrum ligt landgoed Singraven met het gelijknamige statige Huis, het achterliggende Koetshuis en de historische watermolen. Singraven biedt een veelzijdig landschap met bossen, lanen, akkers, weilanden, moerassen en de steeds aanwezige Dinkel. Wij zien voornamelijk de paarse rododendrons die ook hier rijk vertegenwoordigd zijn. Normaal gesproken houdt men op het landgoed trouwerijen en rondleidingen, zowel binnen als buiten. Er is zelfs een arboretum, een gespecialiseerde botanische tuin. Nu is alleen het terras bij de watermolen geopend.

Wij gaan door, naar Ootmarsum, naar de kunst. Want hoewel er driemaal per jaar een siepelmarkt is (siepel is ui) en Ootmarsum Siepelstad wordt genoemd, ken ik het plaatsje vooral als Kunststad. Niet alleen zijn er behoorlijk wat galerieen gevestigd, maar ook in de straten zijn veel kunstwerken te bekijken. Een deel van Ootmarsum is beschermd stadsgezicht. Gelijk al bij binnenkomst staat op het Kerkplein de H.H. Simon en Judaskerk, een dertiende-eeuwse pseudobasiliek met daarvoor een rechthoekige vijver versierd met bronzen bevers. Op twee van de dieren zit een jongetje met een bril op en een ijsje in de hand. Het lijkt een tweeling, maar als ze opstaan zie ik dat de een groter is dan de ander. In de kerk staat een mooie maquette van het eigen gebouw. Ook de smalle achterafstraatjes, volgebouwd met rode bakstenen huizen en muren en af en toe een vakwerkhuisje ertussen, zijn het bekijken waard. Bovendien kun je daar de drukte op de pleinen en hoofdstraten, vol met winkeltjes en terrasjes, even vermijden.

De bekendste kunstenaar van Ootmarsum is Ton Schulten. Hij werd er geboren als zoon van een bakker en groeide op in een katholiek middenstandsgezin met zes kinderen. Na carrière te hebben gemaakt in de reclamewereld besloot Schulten in 1989 zich geheel te gaan wijden aan de schilderkunst. Hij ontdekte in 1992 het Twentse coulissenlandschap als inspiratiebron, nadien werd zijn werk meer figuratief. Ik houd van zijn kleurrijke hokjes schilderstijl. Nu heeft Schulten er een eigen galerie en museum. Ook is er een plein naar hem genoemd.

Natuurlijk wil ik alles zien. Na de glasblazerij, waar ik de glaskunstenaar aan het werk zag, kom ik langs het klooster Maria ad Fontes. Als ik door de ruiten kijk, zie ik dat het gebouw van binnen helemaal is gestript. Een groot bord geeft aan dat er koopappartementen, een bed and breakfast en een ruimte voor commerciële en culturele activiteiten in komen.

Bij het verlaten van Ootmarsum passeren we Othmar Bier, een ambachtelijke brouwerij volgens het Duitse Reinheitsgebot gebrouwen, waarvan Rienk tijdens de lunch al een glas heeft geproefd. Een bierbrouwerij, grappig. En ik altijd maar denken dat kunstenaars meer van de wijn zijn. Misschien dat bier lekkerder smaakt bij siepels. Wellicht hebben zij meer invloed op het stadje dan ik aanvankelijk aannam.

Commentaren: 0

30. Nat en saai

Na Warns, Grubbenvorst, Koningsbosch, Sint Annaparochie en Harlingen is er vandaag opnieuw storm. We staan in Meppel bij de haven tegenover scheepswerf De Kaap en de lucht is inktzwart. Eerst maar gauw schoon water tanken voordat de bui losbarst. De watervoorziening staat tegen het watergebied aan, zodat schepen er ook gebruik van kunnen maken. Aan de waterdruk en de dikte van de straal maak je niet op dat het hier om een druk bezochte plek gaat. De inname van honderdtachtig liter duurt twintig minuten. Ik durf er niet aan te denken hoelang de boot die na ons is erover doet, want daar kan wel duizend liter in.

We staan nog maar net op onze plek of de regen valt met bakken uit de hemel, gelukkig niet voor lang, zodat we daarna in het centrum boodschappen kunnen doen. Het is een mooie, korte route naar de supermarkt, waarbij we langs de Molen De Vlijt en het Drukkerijmuseum komen. Ons bezoek valt in het Pinksterweekend. Op zaterdag is het gezellig druk in de winkelstraat, maar op zondag en maandag is er niets te beleven. Dan is ook de andere molen met het winkeltje, De Weert, gesloten en trekken we ons terug op een bankje in het Slotplantsoen, recht tegenover het joods monument.

Als we terugkomen, zijn er twee nieuwe campers bijgekomen, uitgerust met dierlijke bewoners. In de ene camper huist Pietje, een gele kanarie in een kooi op het dashboard. Naast de andere camper is een klein groen tentje opgezet, voor de hond. Hij is oud en versleten en komt de camper niet in. Af en toe zet zijn baas een klein melkkrukje naast hem neer om hem gezelschap te houden.

In de avond komt een groep jongeren naar de aanlegsteiger. Ze eten en dansen op de muziek van Hollandse hits en verdwijnen na een uur. Verder gebeurt er niets opvallends, behalve dat de camperaars zich hier ontzettend lijken te vervelen. Het grootste deel van de tijd staan ze buiten, blij als iemand een gesprek met hen aanknoopt en als zo'n situatie zich niet voordoet, doen ze er alles aan om zelf het initiatief te nemen. Het gevolg is dat je je hoofd niet buiten de camper kunt steken of er komt wel iemand op je af om te vertellen hoe hij aan zijn camper komt, hoelang hij hem heeft, welke campers hij daarvoor heeft gehad en waar ze zijn geweest. Iedereen draait hetzelfde repertoire af. Knap vermoeiend allemaal, vooral als je zelf wel tal van leuke dingen in petto hebt. We zijn dan ook blij als Pinksteren voorbij is en de camperaars op huis aan gaan. Dan kunnen wij ook weer in beweging komen op zoek naar een andere plek zonder te vrezen dat alles vol zit.

In Wierden vinden we de rust terug. Een langgerekte groene camping met gras, struiken en bomen zover je kunt kijken met ons als enige bezoeker. Heerlijk. Die avond knapt het weer op en eten we buiten. Daarna alleen maar weer regen. Ik verstuur mijn honderdste nieuwsbrief, de laatste. Het doek is gevallen. De kunstenaar is op reis en heeft weinig exposities en andere kunstzinnige boodschappen te melden. Honderd is natuurlijk een mijlpaal en daarom verzin ik er een aardig dingetje eromheen. Een prijsvraag waarbij vier gratis kunstwerken te winnen valt.

Als het even droog is, fietsen we naar het centrum van het forensendorp. Als eerste doen we de Sint-Janskerk aan, oorspronkelijk gewijd aan de twee heiligen Johannes de Evangelist en Johannes de Doper. Met de nieuwbouw van een katholiek godsdiensthuis raakte de naam in de vergetelheid en staat de kerk nu te boek als Dorpskerk. Binnen is een schoonmaakster aan het werk. Ze zegt dat de kerk is gesloten. We gaan verder met onze verkenningstocht, maar veel is er niet te zien. Een langgerekte plaats met aan het eind een station. De twee terrassen die er zijn, zijn leeg, en dit keer niet vanwege corona.

We haasten ons terug naar de camperplaats: alweer een zware regenbui op komst. Terwijl ik de fiets in de hoogste versnelling zet, denk ik na over de fantasieloosheid van sommige plaatsen. Ligt het misschien aan de naam? Wierden, Wier, Niawier. In alle drie deze plaatsen zijn we geweest en niet één springt er naar mijn idee uit. Na Wierden gaan we naar De Lutte. Ik vrees het ergste, want een week geleden in Lutten was het ook niet bepaald enerverend. Gelukkig dat in dit geval de vergelijking mank gaat, althans wat saaiheid betreft, want ook in De Lutte weet de regen van geen wijken.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (dinsdag, 27 juli 2021 15:47)

    Ik kijk uit naar je volgende blog!

29. Hotelovernachting

Lutten, een goed onderhouden camperplaats tussen de weilanden en koeienstallen. Dat is waar we ons bevinden. Alles ademt er koe. Bij aankomst krijgen we zelfs een sleutelhanger met een koe. Ook zijn er bezichtigingen van de stallen als de koeien worden gemolken. We staan er twee dagen en we raken aan de praat met voormalige zeezeilers. Twee stellen in twee campers die elkaar op een boot hebben leren kennen. Een paar jaar geleden hebben ze de boot ingeruild voor de camper en treffen elkaar vanaf die tijd op camperplaatsen. De vrouw houdt een blog bij, waarvan de naam een variant is op die van hun voormalige boot. Altijd leuk om te lezen wat een collega-blogger heeft te vertellen.

Na Lutten gebeurt er iets wat je als camperaar niet gauw doet. We nemen onze intrek in een hotel! In Steenwijk. Uiteraard hebben we hiervoor een goede reden: er wordt een ventilator in de camper ingebouwd en de lijm die daarvoor nodig is moet vierentwintig uur drogen voordat er weer kan worden gereden. We leveren ons huisje af bij de dealer en gaan op de fiets verder naar het hotel. Het is pas tien uur in de ochtend als we arriveren en we mogen niet naar binnen. De receptioniste is onverbiddelijk. "De kamer is pas na drie uur beschikbaar", zegt ze. "Binnen mag u vanwege corona niet zitten en het terras gaat pas om twaalf uur open."

Wat nu? Buiten beraadslagen we over wat we het beste kunnen doen. Een tuinman, druk met aarde wegvegen, hoort ons op afstand aan en mengt zich op amusante wijze in het gesprek. "Als jullie nu eens naar de Coop gaan en daar wat lekkers kopen", stelt hij op samenzweerderige toon voor. "Dan kunnen jullie dat ergens in het centrum op een bankje opeten." Afwachtend kijkt hij ons aan en gaat dan triomfantelijk verder: "De Coop is makkelijk te vinden. Je moet alleen nog even een tilletje op."

Een tilletje? Aan het gebaar dat hij erbij maakt, lijkt het erop dat het om een hoogje of klein heuveltje gaat. "En weet je wat daarna leuk is om te doen?" Weer die geheimzinnige blik. "Nee? Nou, dan kun je een fietstocht maken in de Weerribben-Wieden."

Nu is het onze beurt om afwachtend te kijken, want hoe komen we daar? Er volgt een omslachtige uitleg. Het enige dat we ervan onthouden is dat we na de spoorwegovergang rechtsaf moeten.

We bedanken de tuinman hartelijk en volgen zijn raad op, maar vinden de Coop met het tilletje niet. In plaats daarvan halen we een koffie-to-go met appeltaart bij een restaurant dat eigenlijk helemaal geen to-go-attributen in huis heeft. Geen weggooilepeltjes, geen zakjes, geen dienbladen; helemaal niets. "Die moeten we toch eens aanschaffen", zegt het meisje dat me helpt.

Ik knik, terwijl ik denk: is dat niet een beetje laat? Morgen mogen de terrassen weer vanaf acht uur 's morgens open en zal de to-go-service niet meer zo in trek zijn.

We nemen plaats op een bankje op de Markt met uitzicht op een fontein en lopen daarna langs de winkels in het centrum. Steenwijk is niet groot, dus heel lang hebben we hier niet voor nodig. De tijd lijkt aangebroken om het tweede gedeelte van het voorstel van de tuinman te gaan uitvoeren: de fietstocht in de Weerribben.

Onderweg hebben we nog wat napret over het tilletje, dat we niet hebben gezien. Het vinden van de spoorwegovergang levert minder problemen op. Nadat we die zijn gepasseerd, kijken we uit naar de weg naar rechts die hierop moet volgen. "Als het met die weg net zo gaat als met het tilletje en we die ook niet vinden...", zegt Rienk. "...dan heeft hij ons goed tuk", maak ik de zin af, terwijl ik wijs op het bord van het plaatsje dat we op dat moment binnen rijden en luistert naar de naam 'Tuk'. Soms dienen toevallige zinspelingen zich spontaan aan.

De tocht gaat door dorpen en polders. Er komen dreigende wolken aan. Op een kerkklok zie ik dat het kwart voor drie is.

"Het is genoeg geweest", zegt Rienk. "We gaan terug. Over een kwartier mogen we in onze kamer."

Zo gezegd, zo gedaan. De kamer blijkt inderdaad toegankelijk. De fietsen mogen in de schuur achter het hotel en wij ploffen na de sleuteloverhandiging neer in de twee gemakkelijke stoelen die de kamer rijk is. En daar zitten we dan, in een fantasieloze kamer, zonder onze vertrouwde spulletjes om ons heen. Het klinkt misschien raar, maar we voelen ons licht ontheemd. We nemen een douche in een gigantisch grote ruimte, van boven tot onder wit betegeld, met in een hoekje de douchekop en een wastafel. We hebben trek en zouden wel iets willen eten, maar dat kan alleen op de kamer via een tijdslot. Het restaurant mag nog niet open. Aan de overkant is een McDonald's. Misschien biedt dit meer perspectieven? We steken het parkeerterrein over, maar ook daar is de binnenruimte gesloten. Het terras is vanwege het weer eveneens geen optie. Het regent licht en de stoelen zijn kleddernat. We kunnen wel terecht in een grote witte partytent aan de rand van het parkeerterrein. Niet echt gezellig, maar dat is niet erg. We kunnen eten en de volgende ochtend volgen er versoepelingen, zodat het dan voor het eerst sinds maanden weer mogelijk is buitenshuis op locatie te ontbijten. Ik informeer voor de zekerheid nog even naar de nieuwe openingstijden bij een werknemer die de prullenbak leegt. Volgens hem lijkt het helemaal goed te komen, maar als we de volgende ochtend verwachtingsvol voor de deur staan, blijkt McDonald's gesloten. Ik tuur door de ramen naar binnen, waar ik een werkneemster zie lopen en druk op de bel.

"Nee, helaas, onze baas durft het nog niet aan. Vanaf twaalf uur bent u van harte welkom op ons terras, of u moet via de McDrive gaan."

Ik kijk haar verbaasd aan. "Ja, dat kan, maar ik ben wel lopend."

Het meisje lacht. "Geen probleem."

Dat treft, voor ons ook niet. Alleen zitten we nog met de vraag: waar gaan we het ontbijt opeten? We kunnen moeilijk met het geur verspreidende eten door de entree, langs de balie naar onze kamer die aan het eind van een kilometerslange gang ligt.

Met dat we het probleem onder woorden brengen, dient zich bij ons allebei tegelijk de oplossing aan. We zitten toch naast de nooduitgang? Ja. En die kan alleen van binnen worden geopend? Ja. Nou, dan gaat een van ons door de McDrive en de ander opent de deur, zodat het eten ongemerkt naar binnen kan worden gesmokkeld.

En zo krijgt ons saaie onderkomen van één nacht toch nog een leuk en smaakvol staartje.

Commentaren: 0

28. Uitrusten in Deventer

Rustig aan doen. Dat is waar ik me na het incident in Gouda voornamelijk op probeer te richten. Minder activiteiten tegelijk, minder schermtijd, niet autorijden; en in plaats van dit alles af en toe overdag een uurtje naar bed. De zomerexpositie in Sint-Jacobiparochie, waar ik zo naar heb uitgekeken en al veel voor heb voorbereid, zeg ik af, want niet zo extreem als eerder, de klachten blijven.

In het verlengde van deze voornemens beginnen we letterlijk met een schone lei, oftewel een schoon huis. De camper gaat onder de douche, voor de eerste keer. We gaan naar Bodegraven, naar Truck Wash, waar ons huisje tussen de grote vrachtauto's een wasbeurt krijgt. Maar liefst drie jongens zijn ermee in de weer. Ze staan op hoge ladders en gaan met aan het plafond hangende waterslangen en -borstels aan de slag. Het duurt zeker een kwartier. In de tussentijd drinken wij een beker koffie en raken aan de praat met een Poolse chauffeur die werkt voor een vleesverwerkingsbedrijf in de buurt. Zijn wagen moet driemaal per week de wasstraat in. "Bederfelijke waar, alles moet schoon, koeling helder."

Tja, daar kunnen wij natuurlijk niet aan tippen.

Van mede-camperaars in Druten, met wie we nog steeds contact hebben, kregen we de tip naar de Stadscamping in Deventer te gaan en dat is wat we met onze schone huis willen gaan doen. Tenminste, dat bedenken we spontaan op de brug over de IJssel; vlak voor de afslag. Eigenlijk zouden we naar Wierden. De switch wordt ingegeven door het plotselinge besef dat het de volgende dag Hemelvaart is en de weersvoorspellingen redelijk goed zijn. Een ideale combinatie voor drukte op de camperplaatsen en campings. We kunnen er maar beter vroeg bij zijn.

Het blijkt geen verkeerde inschatting. Er staat een fikse file voor de ingang; een uur later verschijnt het bordje 'camping vol', en dat terwijl er voor het Hemelvaartweekend een extra stuk park tijdelijk bij de camping is getrokken. Het is vooral op dit extra stuk dat er veel retrovoertuigen staan. Puur genieten al die busjes en caravans in vintagestijl. In vergelijking met de camperplaatsen - bevolkt door voornamelijk oudere mensen in bijna identieke witte gevaartes - waar we doorgaans komen, vind ik deze mengelmoes aan mensen en onderkomens heel verfrissend.

Naast ons staat een man met baard, begin veertig. Zijn 'van' is compleet Amerikaans ingericht. Hij is druk bezig met het ordenen van het buitenmeubilair. Lampjes, tentdoeken, kleden, bankjes, krukjes, alles tovert hij tevoorschijn. Afgaand op zijn uiterlijk met grote tatoeages, piercings, zwarte kleding en grove kettingen aan zijn broek verwacht je niet zo gauw van doen te hebben met een aandeelhouder van een internationaal bedrijf dat handelt in artikelen bestemd voor fietsfabrikanten. Hij vertelt dat hij elk jaar tijdens het Hemelvaartweekend naar Deventer komt. Vaste prik. Nu vanwege corona met slechts twee anderen, maar normaal gesproken staat hier een complete groep die qua samenstelling elk jaar varieert. Klikt het met een nieuwkomer dan mag deze het jaar erop terugkomen en als het dan van beide kanten nog steeds botert, mag hij het daarop volgende jaar een introducee meenemen. Een mooie formule, waarbij je steeds andere mensen leert kennen.

Aan de andere kant van ons staat een familie die half in een camperbusje en half in een tent huist. Ze woont aan de overkant, in de stad, en viert de verjaardag van de oudste dochter die met haar vriendinnen in de tent zit, gescheiden van de overige gezinsleden die zich in het busje hebben teruggetrokken. En zo heeft iedereen hier zijn eigen verhaal en missie.

De Stadscamping ligt in het Worpplantsoen, aan de IJssel met uitzicht op het centrum. Aangrenzend zijn meerdere strandjes, pieren en een braakliggend terrein; voor de kinderen een grote natuurspeeltuin. Het Worpplantsoen is het oudste stadswandelpark van Nederland en vanwege de doorbrekende lente een wollige samenstelling van duizenden witte kaarsjes in metershoge kastanjebomen, staand op een tapijt van Fluitenkruid, eveneens wit. Ton-sur-ton, zeg maar.

"Een heel verschil met de winter wanneer de IJssel uit zijn oevers treedt het hele park soms onder water staat", vertelt een vaste recreant. Ook nu is het terrein drassig. Verspreid in het gras liggen stalen platen die je kunt gebruiken om er met de camper of caravan op te staan of als hulp om weg te rijden.

Midden in het plantsoen pronkt het roestbruine kunstwerk 'Worpscape' van Rob Sweere. Het doet denken aan een futuristisch amfibievoertuig met op ooghoogte plantjes die deel uitmaken van een mini-ecosysteem. Feitelijk ligt het park tussen twee bruggen: de Wilhelminabrug en de Spoorbrug die allebei leiden naar het centrum aan de overkant. Hoewel de afstanden gering zijn, is er voor gekozen om bij de ingang van de camping een elektrisch voetveer met zonnepanelen neer te leggen, zodat je nog sneller in de Deventerse kern terechtkomt.

In het centrum is het één groot feest met de Brink als grootste en levendigste plein in het hart van de stad. De vele terrassen met de palmachtige planten doen exotisch aan. Ook is er een winkeltje waar alles in het teken staat van de beroemde Deventerkoek. Aan het eind van de Brink staat de Waag. Dit voormalige weeghuis, gebouwd in 1550 was vroeger van cruciaal belang voor het bedrijfsleven in de handelsstad. Nu vind je er het Deventer Stadsmuseum.

De Waag is voor Rienk Deventers parel, mij spreekt het stadhuis meer aan, omdat het een interessant voorbeeld is van hoe oud en nieuw elkaar ontmoeten. Door gebouwen en gebouwonderdelen stammend uit verschillende tijden samen te voegen, worden diverse bouwstijlen vertegenwoordigd. Het gedeelte met de gevel uit 1693 is opgenomen in de 'Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg', terwijl het grote, nieuwe gedeelte uit 2016 alle stadskantoren vertegenwoordigt die vroeger over de stad waren verspreid. Op de gevel zijn eikenhouten kozijnen aangebracht met aluminium roosters waarop unieke vingerafdrukken van 2264 verschillende inwoners van Deventer te zien zijn. Het is een van de duurzaamste openbare gebouwen van Nederland en werd bekroond met de Abe Bonnema Award voor Architectuur in 2017.

Ik vind de stijl van het nieuwe gedeelte qua sfeer, kleur en uitvoering (in rechte lijnen) Moors lijken. Ze doen me aan het Alhambra in Granada denken.

Tegenover het stadhuis ligt de Lebuïnuskerk; de hoofdkerk, waarvan de hoge toren in de verre omtrek is te zien. Ik geniet van alles, ook van de knusse authentieke winkeltjes zoals je in bepaalde wijken in Berlijn ziet of in Alkmaar. Voor mij stralen ze eenzelfde drukke, alternatieve sfeer uit. Het is natuurlijk niet voor niets dat Deventer bekend staat om culturele evenementen zoals de boekenmarkt en het Dickens festijn. Het is gewoon een knotsgezellige stad.

De voorgenomen rust brengt Deventer me, zodra ik de camper overdag verlaat, geenszins. En dan heb ik het nog niet eens over het geschreeuw en vuurwerk in de nacht nadat Go Ahead Eagles is gepromoveerd. Maar ik kan niet anders zeggen dan dat ik me er kostelijk heb vermaakt.  

Commentaren: 0

27. Storm, moederdag en ambulance

Na de uitbundige zonneschijn op Koningsdag en het schrale zonnetje van de dag erop, regent het nu al dagen met af en toe een droog moment. We zijn opnieuw op weg naar Sint-Annaparochie, waar we nog wat aanvullende dingen moeten doen. We gaan over Roden, naar een grote kampeerhal, en kopen daar wat serviesgoed plus een bandana voor mij; een vrolijk gebloemd stukje textiel dat ook als mondkapje is te gebruiken. Weer eens iets anders dan die saaie weggooidingen.

Omdat Groningen de vorige keer zo was bevallen, besluiten we voor ons vertrek naar Friesland daar opnieuw een nachtje over te blijven. Zo kunnen we de volgende ochtend gelijk weer een fietstochtje naar het centrum meepikken.

Tijdens de fietsrit hebben we te kampen met een straffe tegenwind die verder aanwakkert als we met de camper on the road zijn. Eenmaal in Sint-Annaparochie stormt het onbedaarlijk en klettert de hagel op het dak. Terwijl Rienk naar ons appartement is, draai ik vijf wassen op de camping. De afstand van de camper naar de wasgelegenheid is niet gering: 500 stappen enkele reis. Doordat de droger het niet goed doet en ik alles moet centrifugeren voordat de was de droger in kan, ga ik tien keer op en neer. Tienduizend stappen in totaal met elke keer een tandje wind meer. Na afloop ben ik kapot. Des te fijner dat we die avond van kookplicht zijn ontheven, want precies vandaag is er bij wijze van uitzondering heerlijke patat met snacks op de camping te verkrijgen. Als ik er mayonaise bij bestel, krijg ik een bak ter grootte van een boterkuipje. We kunnen er een maand van eten.

Na een roerige nacht vertrekken we naar Harlingen, waar echt een prachtige camperplaats is. Met het zicht op de veerboten naar de eilanden en de aankomst van schepen in de binnenhaven hoef je je geen moment te vervelen. Eruit kom ik er nog even niet. De storm lijkt een orkaan geworden. De campingdeur is bijna niet in bedwang te houden en het is dan ook maar de vraag wie er harder deint, de schepen of wij. Rienk gaat de uitdaging wel aan. Gehuld in dikke jas, muts en regenponcho gaat hij manhaftig op pad om na een uur - wanneer de zwart kolkende wolken ook hem te gortig zijn - ruw naar binnen wordt gesmeten.

Ik kruip pas de volgende ochtend uit mijn schulp, als de storm is gaan liggen en de zon zich af en toe laat zien. De staalblauwe lucht die daarmee gepaard gaat, staat garant voor mooie, heldere en kleurrijke foto's. Gewapend met mijn fototoestel wandelen we langs de haven met de kleurrijke vissersboten, wapperende netten en visafslagen. Daarna steken we de brug over en komen in Zoutsloot, waar vroeger de meeste zoutketen waren gevestigd. Harlinger boeven konden in die tijd worden veroordeeld tot de zogenaamde pekelkuip, een grote ton zout water waarin ze lange tijd moesten staan. Nu is het een pittoresk stukje Elfstedenstad met aan weerszijden van de sloot schattige huisjes. Na een kijkje in de erachter liggende Voorstraat, de winkelstraat van Harlingen, gaan we terug. We zijn net op tijd om niet nat te worden door de zoveelste hagelbui.

De dag erop zakken we af naar Gouda, waar Rienks moeder in een verzorgingshuis zit. Het is Moederdag en dan is een bezoek aan haar een uitgemaakte zaak. Zelf doen we er al jaren niet meer aan, net zoals aan vaderdag. We zien deze dagen als een verplichting door de commercie ingesteld die niets met liefde heeft te maken. Maar voor beppe maken we een uitzondering. Zij komt uit een andere generatie en is het zo gewend. Rienks zus komt ook, dus het wordt een gezellig familiesamenzijn.

Na het bezoek gaat zus terug naar huis en maken wij een fietstocht. We gaan over Hekendorp, langs mijn ouderlijk huis, waar we zelf ook nog gedeeltelijk anderhalf jaar hebben gewoond nadat mijn moeder was overleden. Er is veel aan veranderd; groter geworden, terwijl de tuin na het kappen van mijn vaders geplante bomen juist kleiner lijkt. De tocht gaat verder over Driebruggen, langs de Reeuwijkse plassen, Sluipwijk, Reeuwijk om ten slotte weer in Gouda uit te komen.

Voordat we naar de camperplaats teruggaan, willen we een hapje eten bij de Wok. Daar kwamen we vroeger, in de tijd dat we hier woonden, graag. De bestelde maaltijd nemen we mee naar de Markt die er dankzij de anderhalve-meter-maatregel met wijd verspreide terrassen heel gezellig uitziet. We nemen plaats op een van de stenen verhogingen om de bomen heen. Het eten smaakt heerlijk, totdat ik ineens heel beroerd word. Zonder in details te treden, komt het erop neer, dat ik na tweeënhalf uur nog altijd niets opknap en me serieus begin af te vragen hoe ik die avond de camper ga bereiken. Ik kan lopen noch fietsen.

De wolken stapelen zich op en dreigen met regen, de terrassen zijn al een paar uur gesloten en wij zitten daar maar. Rienk wordt steeds ongeruster en vraagt of hij de ambulance moet bellen.

Ik zeg: "Doe maar."

Nog voor de ambulance arriveert, komt een auto van Handhaving langs. Het moet een vreemd gezicht zijn, wij met z'n tweeën alleen op dat grote plein. De boa's zorgen voor een flesje water.

Dan komt de ambulance en word ik binnen onderzocht. Gelukkig geen lichamelijke mankementen, maar het is natuurlijk raar zo'n plotselinge en heftige uitval. Dat vindt het ambulancepersoneel ook. "Rustig houden," zo luidt het devies, "en in ieder geval contact met de huisarts opnemen."

Daarna word ik met de ambulance naar de camper gebracht. Wat een rentree! Vreselijk!

Een Moederdag dus om niet te vergeten, maar ook eentje met zelfs bijna toch nog een dochter op bezoek. Want wanneer zij van mijn perikelen hoort, wil ze direct vanuit Leeuwarden met de trein naar me toekomen. "Dat lijkt me niet nodig", zeg ik. Liggend op het heerlijke bed in de camper kom ik langzaamaan tot mijzelf. Een Moederdag in de ambulance. Het is een dag die me altijd bij zal blijven, vooral omdat dit een Moederdag is in de meest zuivere vorm. Een kind dat niet komt omdat het moet, maar een kind dat voelt wanneer ze er moet zijn. Dat is het enige dat telt.

Commentaren: 2
  • #2

    Jannie Harmsen (vrijdag, 16 juli 2021 22:57)

    Ondanks de nare afsluiting van jullie fijne dag, vind ik dit toch een mooi verhaal Connie. Ik weet natuurlijk niet wat er met je aan de hand was, maar ik vermoed een zekere oververmoeidheid en mede door de vele indrukken. Hoe dan ook hebben jullie een lieve dochter. Net zo lief als de mijne en ik heb graag weer even tijd gemaakt om één van je camperblogs te lezen.
    Hartelijke groet!

  • #1

    Sophie (donderdag, 15 juli 2021 19:38)

    Ik lees je verhalen elke keer weer met veel plezier.

26. Koningsdag en terrassen

Het is Koningsdag als we in Groningen staan. In Kardinge, een groot sportcomplex met ondermeer een ijsbaan, subtropisch zwembad, wedstrijdbad, drie sportzalen, ijshockeyhal en tennisbanen. Het meest opvallende onderdeel is de zevendertig meter hoge klimwand Excalibur; vanwege de vorm en de kleur ook wel klimbanaan genoemd. De camperplaats is gemoedelijk en gratis bovendien. We hebben er meerdere keren gestaan en ik heb het idee dat er een aantal studenten hier hun vaste woonplek heeft, afgaande op een paar opvallende voertuigen die ik herken. De jongelui liggen met hun leerboeken in het gras en als ze het zat zijn, kunnen ze gebruikmaken van de sportfaciliteiten of zich verpozen in het naburige park. Wat wil je nog meer?

Vanaf de camperplaats meandert één lang rood gemarkeerd fietspad recht het centrum in. Een afwisselende route van vier kilometer dwars door woonwijken, langs haventjes, over bruggen en sluizen. We passeren de in het oog springende Tasmantoren die veel weg heeft van de Arche de la Défense in Parijs. Langs het Damsterdiep zie ik een oude schoorsteen staan, verloren op een braakliggend terrein. Tussen de struiken heeft iemand een hutje gebouwd, waarin hij lijkt te wonen, en even verderop is een soort commune-achtige gemeenschap van alternatievelingen. Als ik internet mag geloven komt aan dit alles binnenkort een einde. Het gebied wordt ontwikkeld tot een nieuwe levendige, moderne en hoogstedelijke wijk, 'Stadhavens' genoemd, geïntegreerd met de aanwezige historische gebouwen zoals de EMG-silo, de zakkenloods en de Cova-schoorsteen.

Eenmaal in het centrum stevenen we recht af op Gronings nieuwste aanwinst: het Forum. Een vijfenveertig meter hoge piramide-achtige rots van zeventienduizend vierkante meter die zich presenteert als 'cultuurwarenhuis'. Je vindt er een bibliotheek, vijf filmzalen, het museum voor strips, games en animaties, expositie- en evenementenzalen, werk- en studieplekken en horeca. Wij gaan er niet in, weten eigenlijk niet eens of het open is. Wij zijn op zoek naar oranje; willen vrijmarkten, toeters en slingers, terrasjes, maar die zijn er natuurlijk niet. Het is nog altijd corona en de terrassen zijn dicht. Jammer, want qua weer is het nog nooit zo'n mooie koninklijke dag geweest. Wel staat er op een knipperend billboard te lezen dat het nog één dag duurt voordat de terrassen opengaan. Dat geeft de burger moed.

Met het stadhuis in de steigers en een paar eetkraampjes toont de Markt ietwat desolaat. We slenteren verder, langs het Goudkantoor, de Koornbeurs en de Aa-kerk. Daar zijn meer kraampjes en ook meer mensen, maar echt feestelijk is het nog niet. We nemen een hapje en gaan terug naar de camper om daar buiten, in de koude wind, te lezen. Het toetje dient zich automatisch aan. Een karretje met Italiaans ijs dat de weg naar Kardinge heeft gevonden.

Maar het is pas op the day after, dat het echte feest begint; met nog net een schraal zonnetje, een restant van de dag ervoor. De terrassen lopen langzaam vol. Wij staan dan op de camping in Bourtange, met om de hoek de historische vijfhoekige vesting. Het is niet druk in het vestingdorp. Ja, Bourtange is een dorp en geen stad, want hoewel de grachten en muren anders doen vermoeden, heeft Bourtange nooit stadsrechten gehad. Binnen de vesting zijn verschillende musea, oude barakken, een kerk, een synagoge en een kapiteinswoning ondergebracht. Als je van bovenaf op het dorp zou kunnen kijken, lijkt het wel een beetje op een spinnenweb met in totaal tien straatjes die uitkomen op een pleintje met rondom horeca en winkeltjes. In de meeste worden demonstraties gegeven. Een gezellig geroezemoes, dat we een tijd hebben moeten missen. Met al even de schoolkinderen onderweg op de fiets en nu ook de terrasjes open -weliswaar tot zes uur 's avonds - begint het langzaamaan weer op het oude normaal te lijken.

Buiten het 'spinnenweb' is er in Bourtange weinig te beleven. Voor de boodschappen zijn de dichtstbijzijnde voorzieningen in Vlagtwedde, zo'n twintig minuutjes fietsen. Ook daar geopende terrassen, te kust en te keur. Maar... als ik heel eerlijk ben, zijn terrasjes niet heel erg aan ons besteed. Natuurlijk is het leuk om zo af en toe bij een bezoek aan een stad of dorp een tussenstop te kunnen houden met een versnapering, maar dat mag voor mij ook met een lekker ijsje op een gemeentebankje. Eigenlijk vind ik de bezette terrassen vooral leuk als decor, als achtergrondgeluid, als sfeerbrenger. Met lege terrassen wordt een omgeving al gauw saai. Ach, misschien zijn we daarin wat afwijkend ten opzichte van de doorsneemens, net zoals we van een regendag met de laptop op schoot ontzettend kunnen genieten. Alhoewel dit genot nu een beetje op losse schroeven komt te staan vanwege een kapot snoer bij de mijne en een kierend scherm en toetsenbord bij die van Rienk. Het is duidelijk dat we moeten gaan spenderen, doch dat is niet zo eenvoudig. Het bestellen van nieuwe 'speeltjes' hangt momenteel nauw samen met de stagnatie van de levering van elektronische onderdelen, dus we zullen nog even geduld moeten hebben. Misschien in die tussentijd toch nog maar weer eens een terras pakken?

Commentaren: 0

25. Verjaardagen en kassenbezoek

Lekkum is onze uitvalsbasis als het om onze dochter gaat die slechts vijf minuten fietsen van de camperplaats af woont. Het is een feestelijke dag: zondag en haar verjaardag. Voor het gemak vieren we gelijk die van mij mee. Helaas niet in een gezellig lenteweertje, maar in een snijdende kou en - vanwege corona - buiten aan de picknicktafel vlak naast onze camper. Dus niet op een terras in Leeuwarden waar we ons zo op hadden verheugd. De opening van de terrassen is helaas met een week uitgesteld. Het goede nieuws is dat het droog is en Sietske allerlei lekkere zelfgemaakte hapjes en drankjes heeft meegenomen. De slingers hangen en de onderling uitgewisselde cadeaus worden uitgepakt.

Koud geworden van het stil zitten, lopen we naar Lekkum. Bekijken er het haventje en gaan langs de Sint-Ceciliakerk terug langs de Dokkumer Ee; het water en de lucht staalblauw, de bloemen kanariegeel en het gras gifgroen. Kortom, Friesland op z'n best. Het voorjaar komt eraan, je voelt het aan alles behalve aan de temperatuur.

Langs het fietspad zijn mensen bezig kaartjes op te hangen. Het blijkt om de toneelvereniging DTD De Trije Doarpen Lekkum, Miedum en Snakkerburen te gaan die even verderop aan een soort try-out bezig is. We zijn van harte uitgenodigd, maar ja, als je dochter en haar vriend er zijn die je al een paar maanden niet hebt gezien, moet je prioriteiten stellen.

Na Lekkum trekken we oostwaarts, naar Niawier. Wier, Niawier, Wierden; allemaal plaatsen die we aandoen en die qua naam en oppervlakte veel op elkaar lijken. Eigenlijk was het doel Dokkum, maar daar aangekomen, staat de camperplaats vol. De eerstvolgende plek die ons nu iets lijkt, is Niawier, waar we eerst nog wel even over twijfelen. In Wier hadden we namelijk een leuk contact met een stel uit Texel, dat het erover had naar Niawier te gaan. Als wij er ook heengaan, lijkt het net alsof we ze stalken. We besluiten het toch maar te doen en zien de Texelse camper al van verre staan. We draaien het erf op, langs tientallen bordjes met een camper erop, wat het vermoeden doet rijzen dat ze slechtziend zijn in Niawier. Langs het kassencomplex rijden we verder en vinden aan de achterzijde een plekje met weids uitzicht over de graslanden.

Wat het stalken betreft, hadden we ons geen zorgen hoeven maken. Wanneer we even later met hen in gesprek komen, herkennen de Texelaars ons niet; zelfs als onze ontmoeting in Wier ter sprake komt, is de herkenning niet echt overtuigend. Zelf weet ik nog wel wat ze ons een week eerder hebben verteld. Vooral de vrouw heeft indruk gemaakt. Over de zeventig en zo sportief als het maar zijn kan. Met de fiets, zonder elektrische ondersteuning, naar Frankrijk, skiën vanaf de moeilijkste pistes. Ga er maar aanstaan. Ik ben al moe naar veertig kilometer op mijn e-bike.

Tegen de avond wip ik even het plaatsje in. Het is maar klein, slechts rond de driehonderdvijftig inwoners. Het dorpje heeft een karakteristieke kern met bij de Hervormde Kerk een standbeeld van Anders Minnes Wybenga, de dorpsdichter van Niawier. Hij leefde van 1881 tot 1948; een terugkerend thema in zijn werk was het zware leven op de Friese klei.

Zoals bij de meeste camperplaatsen gaat de betaling via een envelop in het informatiehokje. Bij deze camperplaats zijn beide voorzieningen ondergebracht in een gezellig ingerichte kas, waar veel is te bekijken. Als ik de deur achter me sluit en me voeg bij Rienk die het grijze water aan het lozen is, komen de eigenaars eraan: een al iets ouder stel met een gezonde interesse in het wel en wee van hun gasten. Het loopt uit tot een aangenaam gesprek van meer dan een uur, waarbij ze ons hun eigen camper laten zien, ondergebracht in een andere kas. Er volgt een enthousiast relaas over de halfjaarlijkse reizen naar Spanje. De man houdt een reisverslag bij, waarvan hij samen met de foto's elk jaar een uitgebreid boek maakt, dat hij cadeau doet aan zijn kinderen. Voor elk kind een exemplaar. Zijn vrouw vertelt me er geestdriftig over en het duurt dan ook niet lang voordat ik samen met haar aan de lange tafel zit, gebogen over een van de fotoboeken, terwijl Rienk en de man nog om de camper dralen.

Grappig, zo had ik mij een kasbezoek niet voorgesteld. En ook niet dat een vrouw, geboren en getogen op de Friese klei, liever in een camper in Spanje zit dan op haar eigen vertrouwde hiem waar de seizoenen tastbaarder zijn dan waar ook ter wereld. Zij zegt de uitgestrektheid totaal niet te kunnen waarderen en al helemaal niet te missen. Wellicht zijn de knalrode pompebled stickers, aangebracht op de camperspiegels, voor haar genoeg om zich overal met haar geboorteland verbonden te voelen in plaats van in heimwee te verzwelgen. Van zulke uit Friesland afkomstige personen ken ik er weinig.

Commentaren: 0

24. Alledaagse beslommeringen OP bekend terrein

'Een huis vol', een tv-programma rond de jaarwisseling waar ik altijd met plezier naar kijk. De laatste twee keer met de familie Jellies uit Tollebeek. Nu rijden we pardoes hun woonplaats in en parkeren op het pleintje naast de provinciale weg Emmeloord-Urk, vlak bij een beeld en een boekenkast die als bibliotheek dienst doet. Iets verderop staan drie grote mozaïekpanelen met een kerk, windmolens, een tractor en bomen. Aan de andere kant enkele winkels. Het pleintje gaat over in een straat met aan het eind het Protestants Kerkcentrum. Vooral de zesentwintig meter hoge kerktoren met de vrijstaande, open staalconstructie valt op. De Rotterdamse architect Kees Elffers werd met de bouw ervan beïnvloed door het functionalisme, wat goed te zien is aan de witte vierkanten die om en om in het geraamte van de toren zijn geplaatst.

Na onze lunch in Tollebeek gaat het verder richting Friesland, waar we in Mirns uitkomen. Daar is recht tegenover een nicht van Rienk nog niet zo lang een camperplaats gevestigd die we graag willen verkennen. We hadden al verwacht dat het om een mooie plaats zou gaan, want de locatie in de Gaasterlandse heuvels met op de achtergrond het Rijsterbos is natuurlijk magnifiek. Toch worden we verrast door de schoonheid ervan. Het felgroene heuvellandschap doet aan Teletubbieland denken. Als het 's nachts ook nog eens licht vriest, is het uitzicht de volgende morgen helemaal oogverblindend. Ontzagwekkend zelfs. Ik sta extra vroeg op om de mistflarden met mijn fototoestel vast te leggen. Zolang de rijp blijft, ook als de mist is verdwenen en de lucht staalblauw is, waan ik me in een wintersprookje. Het duurt niet lang. Na het ontbijt en het douchen zijn de velden weer groen en gaan we samen op pad. Langs de gele narcissen om de klokkenstoel heen, door het bos vol met boomreuzen die hun takken grillig alle kanten laten opgroeien, langs de betoverend mooie boomstronken, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Het Rijsterbos behoort niet voor niets tot een van de mooiste en bekendste wandelgebieden in Friesland.

Na de wandeling pakken we de camper en toeren wat rond in de ons zo bekende omgeving, waar we twaalf jaar hebben gewoond. We doen Sloten aan en zetten de camper op een van de parkeerplaatsen naast het braakliggende veld waar in 2018 de Colorfield Performance plaatsvond; een Gesamtkunstwerk waaraan vierhonderdvierenveertig beeldend kunstenaars meededen, onder wie ikzelf. Het is tijd voor de lunch en we hebben prachtig uitzicht op de schattige huisjes aan de overkant van de weg en het water. Vervolgens gaan we door naar Warns, onze volgende camperplaatsbestemming langs de Warnservaart, onderdeel van het Johan Frisokanaal. Er komen tien rubber boten met militairen voorbij.

We staan op deze plek in afwachting van de eerste coronaprik die we op een zaterdagochtend krijgen. Na een rillerig weekend met wat spierpijn en een stijve arm - wat vooral mij treft, Rienk heeft er niet zoveel last van – trekken we verder noordwaarts. Naar Wier, een gemoedelijke kampeergelegenheid met theetuin in de buurt van Sint-Annaparochie. Vlak bij dit kleine dorpje van ruim tweehonderd inwoners staat Radarpost Noord van de Koninklijke Luchtmacht. Het is een van de twee zogenaamde 'Medium Power Radars', waarmee het Nederlandse luchtruim wordt bewaakt. De radarinstallatie is vorig jaar vernieuwd.

Het campergedeelte bevindt zich in de voormalige tuin van de boerderij en is een park op zich. Erachter ligt de theetuin en nog verder het kampeerterrein met slechts twee caravans. In een ervan logeert een echtpaar dat een huis laat bouwen in Wier. Vanuit hun tijdelijk onderkomen kunnen ze nauwgezet de bouwvorderingen van hun nieuwe huis volgen. Wij kijken uit op kale bruine velden met op de achtergrond de Koepelkerk van Berlikum.

Overdag draai ik enkele wassen die voor het eerst in de buitenlucht kunnen drogen en 's avonds neem ik deel aan een digitale bijeenkomst van een kunstcafé in Amsterdam. Het blijft behelpen in coronatijd maar desondanks is het toch heel gezellig.

Zo af en toe ga ik vanuit Wier op de fiets even naar Sint-Annaparochie, waar ik bij de kleine tekeningetjes die ik onderweg heb gemaakt, bijpassende lijstjes zoek die ik thuis heb bewaard en in de camper wil ophangen. Ook worden er nog wat pakjes afgeleverd, zoals een proef voor de zwart-wit tentoonstelling die ik in juli samen met een bevriende kunstenares in de Grote Kerk in Sint-Jacobiparochie zal houden en... waarvan ik me uiteindelijk zal terugtrekken, maar dat weet ik dan nog niet. Verder heb ik een reclamebord gemaakt voor achter de ruit in de camper, dat eveneens in het appartement wordt afgeleverd, en moet de wintergarderobe worden verwisseld voor de zomergarderobe. Zeg maar, dat ik druk ben met het verrichten van gewoon wat alledaagse huis-en tuinbeslommeringen zonder dat er sprake is van een echt huis en een tuin. En dat maakt het eigenlijk weer heel ongewoon, zelfs als alles op bekend terrein plaatsvindt.

Commentaren: 1
  • #1

    Daisy Heinhuis (zondag, 11 juli 2021 10:10)

    Zojuist hebben we elkaar voor het eerst ontmoet. Jullie manier van leven spreekt mij erg aan. Inmiddels je prachtige kunstwerken bewonderd. Maar ook al een paar avonturen gelezen op jullie blog. Geweldig!!! Heel veel succes en plezier op jullie nieuwe adres en camperreizen.��� harte groet, Daisy

23. Winkelcentra en Werelderfgoed

Roosendaal profileert zich als winkelstad. Ze beschikt maar liefst over twaalf winkelgebieden, vijf parkeergarages en een designeroutlet. Een goede aanleiding voor een bezoek met de fiets. We komen aan op de Markt, waar het Raadhuis en de St.-Janskerk gebroederlijk naast elkaar liggen. De kerk is gebouwd in de neoclassicistische stijl met aan de voorkant een tempelachtige uitstraling voorzien van vier witte pilaren. Even verderop staat een markante watertoren. De twee overdekte shoppingcentra liggen op loopafstand: winkelcentrum de Roselaar en winkelcentrum Passage, waarvan de Roselaar met vijfenzestig winkels het grootste is en de Passage verreweg het mooist. Hier waan je je echt even in Italiaanse sferen. De winkels en de unieke lichtkoepel zijn gemaakt in Venetiaanse stijl met een vleugje Jugendstil en Art Deco. Alle zintuigen worden geprikkeld. Zo zijn er natuurstenen vloeren met mozaïeken, hardhouten winkelpuien, prachtige smeedijzeren hekwerken, kleurrijke lampen en uitbundige schilderingen. Kortom, een feest van materiaal, kleur en vorm. In het hart van de Passage ligt lunchroom Milano. Net als de rest van het winkelcentrum lijkt dit etablissement uit twee verdiepingen te bestaan; met op de bovenste etage een muziekband van bewegende poppen, speciaal in Amerika gemaakt. De muziek is Italiaans.

Ik kan er geen genoeg van krijgen en schiet talrijke foto's die naderhand op Facebook veel reacties opleveren. Een vrouw uit Koudum die vaak mijn galerie bezocht, blijkt er in haar jonge jaren te hebben gewerkt. Zij wil er dan ook alles over weten.

Een bezoek aan Roosendaal vanuit de camperplaats in Rucphen is dus zeker een aanrader. Maar wij moeten ook weer eens even op huis aan, naar het appartement in Sint-Annaparochie. We gaan over Huizen. De camperplaats ligt aan de rand van een sportpark en hondenuitlaatgebied bij het Gooimeer. Aan de overkant zien we Almere Haven liggen.

Vanuit deze plek is het slechts een paar honderd meter lopen naar de haven met de kalkovens die vroeger werden gebruikt voor het verbranden van schelpen tot ongebluste kalk. Het prachtige culturele erfgoed werd in 1997 in ere hersteld en is een evenementenlocatie geworden. Verder heeft het complete havengebied een Scandinavische look gekregen met kleurrijke houten huizen. Als wij er rondlopen, spurt er net een reddingsboot van de KNRM op hoge snelheid weg. Zal er iets zijn gebeurd? Met de komst van een laag cirkelend vliegtuig die het gebied van bovenaf lijkt te onderzoeken, heeft het er veel weg van, maar later op internet kan ik over een eventuele zoekactie niets vinden.

Via de kade met hoge, statige en industrieel vormgegeven appartementencomplexen gaan we naar het oude centrum. Na de kade bedraagt de afstand exact één kilometer. Dat staat aangegeven op het trottoir in één lange lijn met om de zoveel meter een pijl met het aantal meters naar de stad en in omgekeerde richting naar de haven.

In het centrum stuiten we op de Surinaams Chinese Wok, momenteel in de verbouwing.

Gelijktijdig stoten we elkaar aan: "Dit is het Chinese restaurant waar we in de etalage zaten!!"

Dat was in de tijd dat we wekelijks van Gouda naar Warns heen en weer pendelden en we daar een keer toevallig verzeild raakten. We moesten toen erg lachen om de ambiance in wat voorheen een woonhuis was. We zaten pontificaal voor een groot raam, waar het verkeer recht op af reed. Later hebben we er nog wel eens om gezocht, maar nooit terug kunnen vinden. Tot nu dus.

Verder is het centrum niet heel spraakmakend. Wat wel opvalt tussen de in baksteen opgetrokken winkels is het beeld van het Huizer melkmeisje op het Oude Raadhuisplein. Een glimmend object van een jonge vrouw, met kort bruin haar en fel gestifte lippen, in een gele jurk; met in elke hand een emmer waar melk overheen klotst. Het beeld zou twee keer zijn gesloopt en wordt nu met camera's in de gaten gehouden.

Winkels, water en melk. We laten het allemaal achter ons en gaan naar Schokland, een voormalig eiland in de Zuiderzee dat sinds de drooglegging van de Noordoostpolder in 1942 deel uitmaakt van het vasteland van de provincie Flevoland. Vanwege de archeologische rijkdom en geschiedenis is het gebied in 1995 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst. Dat klinkt interessant. Er is zelfs een camperplaats Maar of het nu aan het weer ligt of aan het seizoen, wij worden spontaan depressief bij het zien van de donkere, kale velden waartussen de camperplaats is gesitueerd. Er staat geen enkele camper, alleen waterplassen. De aanblik is te troosteloos voor woorden. We besluiten door te rijden. Weg van de eerste werelderfgoedlocatie van Nederland. Weg van het symbool van de strijd tegen het water. Daarbij de overblijfselen van de vuurtoren, de voormalige haven op de noordpunt, de kerkruïne in het zuiden en het Schokland Museum onbekeken achterlatend. Dit alles is alleen maar aantrekkelijk voor een volgende keer wanneer de zon schijnt en de landerijen zijn begroeid.

Commentaren: 0

22. Navigatie en vaccinatie

Rond Roermond vinden wij het niet zo heel mooi fietsen. Natuurlijk zijn er prachtige plekken waar we heen gaan, maar op weg ernaartoe wordt het landschap toch telkens weer opgeslokt door drukke wegen. Een van die prachtige plekjes is Asselt. Het ligt zowel aan de Maas als aan de Maasplassen. Dit zijn kunstmatige meren in het Limburgs Maasland ontstaan door grindwinning. Behalve de wateroppervlakken is de rooms-katholieke kerk van Sint-Dionysius, in de elfde eeuw neergezet op een landtong aan de Maas, zeker het bekijken waard. Tegenover de kerk is een cultuurhistorisch en oudheidkundig museum, ondergebracht in een klein huisje met blauwwitte luiken en een gigantisch groot Christusbeeld aan de gevel. Aan de andere kant van Roermond ligt het dorp Ool, op zich niet heel bijzonder, maar wel voor mij die mijn moeder altijd Oliebol noemde, afgekort Ool. Hoe toevallig, want ik was totaal niet op de hoogte van een plaats met deze naam.

De laatste dagen in Roermond koelt het af. Dat was te verwachten, want de temperaturen waren buitenproportioneel hoog voor de tijd van het jaar. Maar dat het van een zonnige achtentwintig graden binnen een etmaal naar een gure vier graden met forse hagel- en sneeuwbuien zakt, had niemand voorzien. We hebben het dan ook niet gelijk in de gaten als we door Waalre rijden; herkennen in de witte hoopjes aan de kant van de weg niet de gevolgen van de befaamde Maarste buien die nu dus naar april zijn verplaatst. Dat komt omdat wij nog steeds in de droogte rijden. Verbaasd staren we naar de tegemoetkomende auto's, waarvan enkele met een wit dak en witte motorkap, totdat ook wij er aan moeten geloven. Boven ons barsten gigantische hoosbuien los. Het dondert en het weerlicht. De herrie van de vallende hagel op het dak en de voorruit is oorverdovend. De weg verandert in een stromende rivier.

Het doel van vandaag is een camperplaats in Rucphen. Als we aankomen is het droog. Een grote lange groene bus van het merk MAN staat op het erf, naast een bushokje met de tekst 'Het buske komt zo'. De bus doet gedeeltelijk dienst als informatiehokje en gedeeltelijk als bezoekerstrefpunt. De binnenkant is bijna helemaal intact gehouden en opgevrolijkt met Paasversiering, net als het buitenterrein. De dag ervoor was er een Paasbrunch en de eigenaresse wil de sfeer kennelijk nog even vasthouden. Het schept in ieder geval gezelligheid, net als de picknicktafels in het midden van het veld met op elke tafel een plantje met gele bloemen. De eigenaresse heeft er duidelijk zin en verwelkomt elke nieuwkomer 's avonds na haar werk persoonlijk, zelfs in de stromende regen die ons vanaf een uur of vier weer opnieuw in zijn greep houdt. 's Nachts gaat de regen over in sneeuw, zodat we de volgende morgen wakker worden in een witte wereld. Omdat het net om het vriespunt is, smelt de sneeuw al gauw en komen er blubber en waterplassen voor in de plaats.

We lopen naar het centrum; we moeten boodschappen inslaan. Het is niet ver naar de winkels. Gelukkig maar, want het is er behoorlijk saai. Eigenlijk is het enige in het oog springende bouwwerk de wel heel erg dominant aanwezige Heilige Martinuskerk. Daar kun je werkelijk niet omheen. Hij is zo verschrikkelijk groot, dat Rienk zelfs denkt dat het om twee naast elkaar staande kerken gaat. Met de Rucphense bossen is het een stuk beter gesteld. In dit natuurgebied is het prettig toeven.

Ik ben bijna jarig en Rienk piekert zich suf over een cadeau voor mij, totdat hij triomfantelijk uitroept: "Volgens mij ben je nu wel toe aan een E-reader!" Dat zegt hij al jaren en dan antwoord ik altijd dat ik een echt boek veel fijner vind. Vooral in de lucht van de inkt en de nieuwigheid van het papier kan ik mij helemaal verliezen. Toch vindt er in mijn hoofd nu een kentering plaats. Fysieke boeken wegen veel en waar in het buitenland zal ik straks Nederlandstalige boeken vinden? Ja, eigenlijk is Rienks idee zo gek nog niet, moet ik toegeven.

Hij bestelt er gelijk één. We kunnen hem de volgende dag in Roosendaal ophalen. Het wordt een fietstocht met een straffe tegenwind, deels door het bos, deels langs de provinciale weg. Voor de zekerheid heeft Rienk een smartphonehouder op mijn stuur bevestigd, zodat we dit keer de weg niet kunnen kwijtraken. Terwijl ik al fietsend op het reflecterende venster de navigatievoorstellen van Google Maps probeer te ontcijferen, gaat de telefoon. Ik stap af, maar ben net te laat met opnemen. Dan gaat hij weer en ik probeer de smartphone snel uit de houder te halen, wat niet lukt. Terwijl medeweggebruikers boos om me heen manoeuvreren, zeg ik licht hijgend tegen het scherm dat ik eraan kom. Rienk komt me gelukkig te hulp, zodat ik eindelijk het gesprek kan aangaan. Het blijkt de assistente van de huisarts te zijn die ons allebei uitnodigt voor een eerste vaccinatie. We springen een gat in de lucht en juichen uitgelaten. "Eindelijk! Een prik! En allebei tegelijk nog wel, terwijl we drieënhalf jaar schelen", schreeuw ik opgewonden.

Een vrouw die haar tuin van onkruid ontdoet, kijkt het glimlachend aan.

We kunnen ons geluk echt niet op en al helemaal niet, nadat we even later lezen dat de terrassen het komende weekend opengaan. De eerste stap naar het gewone leven wordt gezet. Ik app gelijk naar onze dochter dat we onze verjaardagen – zij verjaart twee weken later dan ik – lekker buiten op een terras kunnen vieren.

Daarna halen we de E-reader op en gaan terug naar onze camperplaats 'De Rucphense weide'. Voor de zekerheid spreekt Rienk dit in op de smartphone, zodat we al het goede nieuws zo snel mogelijk kunnen vieren in de camper. De techniek staat voor niets, zo is het toch? Des te groter is onze verbazing als we een halfuur later niet bij ons huisje op wielen staan, maar midden in de bossen en open velden van de Rucphense heide. Weide, heide, slechts één letter verschil, maar als het om een locatie gaat is het een wereld van verschil.

Commentaren: 1
  • #1

    Mieke Schepens (zondag, 04 juli 2021 10:46)

    Wederom graag gelezen!

21. Treurigheid en aardbeien

Corona doet meer met de geestelijke gesteldheid van mens en dier dan je zo op het eerste gezicht zou denken; ook al heb je het geluk geen dierbaren te hoeven verliezen. Dat ondervinden we maar weer eens tijdens een gesprek met onze tijdelijke buurman in Roermond. Hij is van Nederlandse afkomst en woont al jaren met zijn vrouw en hond in een appartement in Spanje. Zowel de hond als de baas werden ziek van de beperkende maatregelen die de overheid oplegde en toen het ook maar even kon, pakte hij gelijk zijn busje en reed naar Nederland. Naar Limburg, waar zijn familie woont. De man lijkt op te knappen, maar de hond moet worden ingeslapen. Hij komt zijn klachten niet te boven.

Een triest verhaal. Misschien wel net zo droevig als de lijdensweg van Jezus in The Passion; dit jaar live uitgezonden vanuit Roermond, waar de mond dus flink wordt geroerd. De letters r, o, e en r met de rode mond, tezamen het logo van de stad, laten van zich horen. Een paar dagen voor de uitzending wordt het Munsterplein, waar het belangrijkste deel van het spektakel zal plaatsvinden, afgesloten met hoge zwarte schermen. Tussen de kieren gluurt het publiek en ziet hoe het gigantische toneel langzaam gestalte krijgt. Ziet hoe Trijntje Oosterhuis wordt gefotografeerd bij de rose bloesemboom naast de Onze Lieve Vrouwe Munsterkerk. Ziet hoe de camera vanaf grote hoogte inzoomt op de zangers in de sierlijke kiosk van architect en ontwerper Pierre Cuypers (1827-1921), beroemd van zowel interieurs als exterieurs van een respectabel aantal gebouwen en kerken, waaronder het Rijksmuseum en Centraal Station in Amsterdam. Hier in Roermond is een museum over hem in het leven geroepen: het Cuypershuis, gevestigd aan - hoe verrassend - de Pierre Cuypersstraat. Een grote rode passer voor de deur nodigt de nieuwsgierige passant uit voor nadere inspectie.

Op Witte Donderdag, rond een uur of zes, is niet alleen het Munsterplein maar de totale binnenstad afgesloten en zien we drie uur later op tv de locaties die we de afgelopen week hebben bezocht. Het begint in het straatje vlak bij de camping, waarna het groepje acteurs via de vierbogige Stenen Brug, ook wel Maria Theresiabrug genoemd, de Roer oversteekt en de winkelstraten bereikt. Er worden verschillende shots gemaakt op diverse markante plaatsen in de stad. Wij herkennen de meeste plekjes wel, zoals de Markt met het Stadhuis en de Sint Christoffelkathedraal, maar de grote ruimte met blauwe strepen en lange roltrappen komt ons absoluut niet bekend voor. Wij vragen het later aan een willekeurige camperaar die zegt dat dit de passage onder de N280 is. Deze doorgang scheidt het oude centrum van het Designer Outlet van het Britse bedrijf MacArthurGlen, sinds eind 2001 gevestigd in een aantal gebouwen van de voormalige Ernst Casimirkazerne. Het Outlet Center is 35.000 vierkante meter groot, biedt onderdak aan maar liefst 200 internationale designermerken en is goed voor ruim acht miljoen bezoekers per jaar. Met 186 winkels en 25 restaurants is het 't grootste outletcenter van de Benelux en Duitsland. Dit moeten we zien!

Het blijkt een stad op zich, en ook nog eens één met strenge coronaregels. Bij de ingang krijgt elke bezoeker een mondkapje dat zelfs in het buitengebied moet worden gedragen. Het weerhoudt het publiek er niet van om te komen. Voor bijna elke winkel staat een rij mensen te wachten om op afgesproken tijden volgens het tijdslot te worden toegelaten. De bedachte winkelstad is mooi en vervreemdend tegelijk en in feite natuurlijk zo nep als het maar kan zijn. Je waant je in een Disneypark zonder attracties, zelfs de zoete lucht van de suikerspin ontbreekt niet.

De Outlet maakt deel uit van een gebiedsontwikkeling, Jazz City, met de daarbij behorende markante woontoren Manhattan, de horeca, leisure, een hotel, jachthaven en uitgebreide parkeervoorzieningen. Ik betrap me erop dat dit qua architectuur mooie deel van de stad me sneller verveelt dan het oude gedeelte met bijvoorbeeld de gezellige Neerstraat waaraan allerlei authentieke winkeltjes liggen. In een speciaal cactuswinkeltje, schaffen we twee mininepplantjes aan, ter aanvulling op onze namaakplantenverzameling. Op de hoek kopen we een ijsje en eten dat op bij een Christusfiguur van formaat, vlak bij de Kruiskapel. Vervolgens lopen we terug naar onze tijdelijke woonplaats aan de Maas, dat eigenlijk in Sint Jacob ligt, de voorstad van Roermond. We passeren het kleine Sint-Jacobuskapelletje, recht tegenover het seniorencomplex Coquille St. Jacques, dat qua naam eveneens verwijst naar Jacobus; naar de Jacobsschelp om precies te zijn. Iets verderop staat een kleine witte kerk, ook naar Jacobus vernoemd.

Het is zomers warm en we hebben aardbeien gekocht die ik met het raampje open in de camper schoonmaak. En ja, als de ramen openstaan, vang je soms ongevraagd de meest vreemdsoortige gesprekken op. Bijvoorbeeld tussen een man en een vrouw die daten en waarbij de man steeds stiller wordt. Komt hij eerst nog over de brug met een speciaal voor haar aangekocht sieraad en vertelt hij honderduit over de manier hoe hij het kleinood heeft weten te vergaren, het volgende moment is alleen de vrouw nog aan het woord. Zij leest de appjes van haar andere minnaar voor en verwacht na elke climax een reactie van haar huidige date, die steeds minder enthousiast klinkt. Naast de daters staat nog altijd de man uit Spanje die het die avond zijn oude moeder naar de zin probeert te maken, wat niet meevalt want alles wat hij zegt weet zij naar negativiteit om te buigen. Arme man; hij kan er wel weer opnieuw depressief van raken. Maar wellicht heeft hij al die droefgeestigheid gewoon van haar geërfd, bedenk ik me, en laven ze zich aan elkaars zwartkijkerij, terwijl ze het hondje er ook nog eens mee besmetten. Ik kijk naar mijn verse schoongemaakte aardbeitjes en vind het rood ineens wel heel vrolijk afsteken.

Commentaren: 0

20. Ongemak en tevredenheid

Om niet weer onverhoeds terecht te komen in België, waarvan we door het gebrek aan plaatsnaamborden niet goed weten hoe de grens loopt en ook niet wat de coronavoorschriften zijn, hebben we een fietstocht naar Nederlands klinkende plaatsnamen gepland. We beginnen in Heel, een van de oudste en grootste kerkdorpen in Midden-Limburg. We stuiten er direct op twee, door hekken omsloten, oude gebouwen; een wit en een bruin. Het is duidelijk dat het verval al een tijdje is ingezet.

Een vrouw die met een verstandelijk gehandicapt meisje een wandeling maakt, ziet ons kijken. Ze zegt vriendelijk gedag en draalt een beetje om ons heen. Haar gedrag nodigt uit voor een gesprek en als wij vragen met welke twee gebouwen we hier te maken hebben, antwoordt ze op zachte toon: "Het is een kasteel uit de zeventiende en achttiende eeuw met aanpalende kloostergebouwen, een instituut voor zorg van verstandelijk gehandicapten en een neoromaanse kapel uit 1930." Er volgt een hele uitleg, waarvan ik weinig meekrijg. Het meisje eist mijn aandacht op. Ik zie dat haar veters los zitten en ik ben bang dat ze straks valt. Als de vrouw is uitgesproken, grijp ik de gelegenheid aan om haar op de schoen te wijzen.

De tocht gaat verder naar Wessem, waarbij we in Heel eerst nog de Sint-Stephanuskerk passeren die wel geheel intact is. Heel in Heel, zogezegd. In Wessem staan rondom het plein allemaal oude huisjes. Het doet knus aan. De bomen ervoor zijn hoog en kaal en in het midden van het plein staat een marktkraam die kaas verkoopt. Qua kleurstelling en uitstraling doet het kraampje me denken aan de tijd dat we in Koudum woonden en de pizzaman 's zaterdags verscheen op het Frieslandplein, in feite onze tuin. We gaan weer verder, door oude straten, langs de Maasboulevard waar een Christusfiguur met gespreide armen staat, schuin tegenover een witte bloesemboom. Nog één keer richting Thorn.

De volgende ochtend maken we ons op voor Roermond, een goede twintig kilometer verderop.

Bij aankomst blijkt de camperplaats bij de jachthaven weliswaar het hele jaar open te zijn, maar dat geldt niet voor het sanitairgebouw dat pas 1 april de deuren opent. Tot die tijd zijn campergasten aangewezen op noodmaatregelen en die zijn een zoekplaatje. Voor het schone water kunnen we buiten het hek terecht, op een parkeerplaats voor boten en auto's die achter een ander hek staan. De doorgang is smal en de bocht bijna niet te krijgen. Het gaat echt om millimeters die we moeten zien te bedwingen en als we eindelijk de waterkraan zo dicht mogelijk zijn genaderd, kunnen we niet bij de slang in de garage. Kruip-door-sluip-door is in zo'n geval de beste remedie.

Nadat Rienk met zijn trui in het prikkeldraad van het hek is blijven hangen, murw ik me naar hem toe om hem te bevrijden. Ik neem de slang van Rienk over en koppel hem vast. Na een kwartier is de watertank vol en begint het gemillimeterde stuurwerk in omgekeerde volgorde, waarna de eerste missie is geslaagd. Vervolgens komt het legen van het cassettetoilet aan de beurt. Ik ga driemaal naar het havenkantoor om te vragen waar we dat kunnen doen. Telkens gaan we voorbij aan de aangewezen plek zonder deze te zien. Ja, het witte wasbakje achter de derde loods. Dat zien we wel, maar daar mag het niet in. Waar dan wel? Iets anders kunnen we niet ontdekken.

Vreemd, want bij het witte bakje zijn we toch echt heel warm, grinnikt de vrouw achter de balie. Ze loopt uiteindelijk met ons mee en dan blijkt het te gaan om een rond gat met een diameter van ongeveer tien centimeter in de grond, pal onder het witte bakje, verstopt onder een dikke oranje slang waarmee juist een boot wordt afgespoten. Enfin, meer dan een uur later staan we eindelijk op ons plekje aan het water, tenminste als we in de camper blijven zitten want dan alleen kunnen we net aan over de betonnen kademuur heen kijken.

Al met al een camperplek, waarvan we denken hem de volgende ochtend direct te verlaten, maar uiteindelijk blijven we er anderhalve week staan. Na wat aanloopproblemen blijkt het eigenlijk best een toffe plaats te zijn. Zeker met het bijzonder zachte weer en de Pasen voor de deur, en ook nog eens met de uitvoering van The Passion op loopafstand. Dat laatste hadden we echt niet verwacht. Ja, camperaars leven af en toe onder een steen en worden dan door een reclame op de televisie wakker geschud. The Passion? In Roermond? Net nu wij er zijn. Hoe bijzonder!

Over stenen gesproken: we staan op een veld vol grind met hier en daar een bloempot. De inrichting doet buitenlands aan. Er staan hoge bomen en enkele struiken, waarvan de knopjes al een klein beetje openbarsten. Werklieden van de scheepswerf zetten zojuist geverfde picknicktafels neer en 's avonds tijdens het eten landt er een duif op het dakvenster van onze camper. Nu alleen het olijftakje in zijn snavel nog, dan is het vredige gevoel compleet. 

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (woensdag, 30 juni 2021 15:11)

    Weer leuk om jullie belevenissen te lezen!

19. Camperplaatsen en kerken

We staan niet in Thorn, maar zijn voor een nachtje uitgeweken naar Ittervoort; niet ver ervandaan.

Na de beproeving van gisterenavond met de noodgedwongen rijmanoeuvres in de oude kern van Thorn, troffen we een volledig bezette camperplaats aan. We besloten dicht in de buurt te blijven om het de volgende ochtend vroeg weer te proberen. Hoewel beide camperplaatsen hemelsbreed slechts een paar kilometer uit elkaar liggen, is de beleving een wereld van verschil. Niets gaat hier vanzelfsprekend. Als je aan komt rijden, moet je eerst handmatig de ijzeren hekken openen en daarna weer sluiten. Drinkwater halen kan vanaf een tappunt verscholen op het terras aan de achterzijde.  Afvalwater lozen gaat via een soort stofzuigerslang die aan de waterafvoerpijp moet worden gekoppeld. Ik lig dubbel van de lach als ik Rienk gniffelend op zijn knieën half onder de camper zie liggen op zoek naar de wateruitlaat. Wij zien altijd wel het grappige in van zulke situaties, maar deze voor een camperplaats primaire handelingen behoren natuurlijk niet zo moeilijk te zijn. Op zoek naar een plekje zonder laaghangende takken klop ik de twee op het gras staande plastic koeien op hun rug. Zij kunnen er per slot van rekening niets aan doen.

Als we eindelijk staan, op het uitgestrekte grasveld met één enkele camper aan de overkant, verwonderen we ons over het drukke verkeer dat pal achter ons op hoge snelheid voorbijraast. We blikken terug op de voorzieningen van andere campings en camperplaatsen die in gebruiksgemak nogal van elkaar verschillen. En zelfs als alles helemaal in orde is, weten wij er nog wel wat tamtam omheen te maken, zoals een tijdje geleden in Oirschot waar bij het opbergen van het cassettetoilet het afdichtdopje wegschoot en compleet onvindbaar leek. Noch in de opbergruimte, noch in de camper, noch buiten in het grind was het dopje te bekennen.

"Dat kan maar één ding betekenen," concludeerde Rienk, "het moet tussen de dubbele wand achter het cassettetoilet terecht zijn gekomen." Als een volleerde onderzoeker pakte hij een piepklein cameraatje, bevestigd aan een lange steel, en stuurde dit het inwendige van de camper in. Het zo verkregen beeld kon hij van de laptop aflezen en warempel na een paar minuten ontdekte hij het verloren voorwerp dat hij met een lange grijper uiteindelijk te pakken kreeg. Terwijl ik hem zo bezig zag, dacht ik: er is een chirurg aan hem verloren gegaan.

Natuurlijk is niet alles verkeerd in Ittervoort. De eigenaar die later op de avond langskomt, blijkt een aardige kerel, en ook het slapen verloopt die nacht voortreffelijk. Toch houden we vast aan ons besluit en rijden de volgende ochtend naar Thorn, waar juist een camper vertrekt. Een geluk, want na ons komen nog zeven camperaars, van wie niet een zo bescheiden als wij. Zij parkeren hun vehikel wel op de gewone parkeerplaats, dus buiten de voor overnachting bestemde parkeervakken.

Omdat we binnen niet al te lange tijd het witte stadje voor de tweede keer bezoeken, pakken we deze keer gelijk de fiets. Het is mooi weer. De zon schijnt en de bloesembomen verspreiden een zalige geur. We rijden door het dorp, voorbij het witte beeld van Sint Barbara, de beschermheilige van de mijnwerkers. Buiten Thorn passeren we kleine witte kapelletjes en wijngaarden. We maken een bocht om het plaatsje heen en zijn zonder dat we het goed en wel beseffen ineens in België, waar we een deel van de Maasroute afleggen. Ofschoon we de Maas zeker zien, wordt het toch vooral een kerkenroute. Eerst doen we de Sint-Martinuskerk aan in Kessenich met er tegenover de familiegrafkapel van baron Michiels, gebouwd op de genivelleerde resten van een burcht. Een eindje verderop ligt Geistingen met de Sint-Lambertuskerk, waaromheen een beeldentuin is gesitueerd. Tot slot bezichtigen we de Sint-Servatiuskerk in Ophoven. Hier doet het interieur met veel extra snuisterijen rommelig aan. Bij het verlaten van de kerk valt mijn oog op een put met vier wit geverfde stenen. Op elke steen een woord die samen de zin ''bedankt voor uw bezoek" vormen. We vinden de kerk in Kessenich het mooist.

Terug in Thorn zitten we 's avonds op een bankje bij de Abdijkerk. Het plein en de kerk zijn mooi uitgelicht. We genieten van de lentegeuren. Dan slaat de klok negen uur. We haasten ons naar de camper. De avondklok is ingegaan. Ook vanuit de camper is nog een stukje van de verlichte kerk te zien en ik vraag me af of die in België in de avond net zo mooi uitkomen als deze.

Commentaren: 0

18. Kerkbezoek en uitdagingen

We blijven nog even in Maastricht; er is zoveel moois in het centrum dat we nog niet hebben gezien. Er loopt een fietspad direct van de camperplaats, langs het Bonnenfantenmuseum, regelrecht naar de Servaasbrug, een van oorsprong dertiende-eeuwse boogbrug over de Maas. Vandaaruit is het nog maar een klein stukje naar het Vrijthof, het grootste plein van de Limburgse hoofdstad. In vergelijking met de vorige keer is het er nu een stuk drukker. De rel gerelateerde houten betimmering voor de etalages bij het ingaan van de avondklok is verwijderd. Winkels zijn open op afspraak en eetgelegenheden hebben de to-go-service uitgebreid, hoewel de lege terrassen nog altijd vreemd aandoen op het anders zo gezellig roezemoezende plein. Er staan wel meer kraampjes en er is zelfs een demonstratie gaande van de Black-Lives-Matter-beweging.

We steken het Vrijthof over en komen bij de voor Nederland unieke 'kerkentweeling'; namelijk daar waar de protestantse Sint-Jan en de rooms-katholieke Sint-Servaas gebroederlijk naast elkaar staan. De toren van de Sint-Jan valt op; niet alleen vanwege z'n negenzeventig meter hoogte, maar vooral door de rood geschilderde bovenkant die mooi afsteekt tegen het wit van de onderkant.

Wij gaan er niet naar binnen, maar lopen om de rooms-katholieke kerk heen, het Keizer Karelplein op, en betreden via de kruisgang van de basiliek de Sint-Servaaskapel. Deze deed tot 1982 dienst als schatkamer van liturgische en andere bijzondere kunstwerken. Links van de entree zit de caissière. Als ze me wenkt, denk ik dat het gaat om mijn mondkapje dat ik in mijn enthousiasme ben vergeten voor te doen. Maar in plaats van een berisping wacht mij een genereus aanbod. We mogen gratis de basiliek bekijken! Normaal gesproken koop je een gecombineerd toegangskaartje voor de basiliek én de huidige schatkamer (het museum), maar omdat die wegens corona is gesloten, is de kerk gratis toegankelijk.

Opgetogen lopen we door de kloostergang die uitkomt in de basiliek. Om het interieur daarvan te beschrijven, heb ik zeker nog drie pagina's nodig; zoveel is er te zien, maar zo'n uiteenzetting zou hier te ver voeren. Het enige wat ik er over kwijt wil, is dat voor ons de basiliek op zich al een compleet museum is en we van de ene verbazing in de andere vallen. We missen het bezoek aan de schatkamer dan ook helemaal niet.

Ook buiten het centrum is Maastricht interessant, zoals het Frontenpark waarbij het ontwerp voor een groot deel door de aanwezigheid van de vestingwerken wordt bepaald. Dus geen strak aangelegd en statig onderhouden park, maar een spannend en ruw stuk natuur in de stad. Jaren van verwaarlozing hebben ervoor gezorgd dat de natuur vrij spel kreeg. Op, in en tussen de voormalige verdedigingsmuren, aarden wallen en droge grachten groeien zeldzame plantensoorten. Het doet me denken aan Fort Everdingen, waar we een paar weken geleden waren.

Vanuit Maastricht gaan we terug de Limburgse heuvels in en bezoeken daar op de Vaalserberg het drielandenpunt. Vlak bij de top (ruim driehonderdtweeëntwintig meter boven NAP) grenzen Nederland, België en Duitsland aan elkaar. Drie vlaggen wapperen in de wind. Je kunt ze nog net ontwaren tussen alle toeristische attracties in, evenals de gedenksteen voor het hoogste punt van Nederland. Al met al een belangrijke symbolische en geografische plek.

Wij lopen Duitsland in en gaan door het Aachener Wald, waar hoge stapels fijngehakte houtbrokken en grove houtsnippers liggen, klaar om zo de open haard in te gooien. Het prikkelt Rienks fantasie. Hij is al weken op zoek naar een onbreekbaar beeldje voor in de camper. Verwachtingsvol houdt hij twee spits toelopende stukjes hout omhoog. "Zou je hier geen tekeningen op kunnen maken? Dan hebben we gelijk een soort 3D-kunstwerk in ons interieur."

Ik knik enthousiast. Ik hou van uitdagingen.

Alhoewel... Als we later die dag in Thorn aankomen, staat het zweet toch wel een beetje in mijn handen. Er is een wegopbreking, waardoor de rondweg is geblokkeerd en we automatisch naar de smalle straatjes worden gedirigeerd. Straatbreedte staat hier bijna gelijk aan camperbreedte en daarbij rijd ik mezelf ook nog eens meerdere malen in een fuik en moet ik op de pittoreske pleintjes keren. De camper steekt bijna boven de gevels van de witte huisjes uit en ik stel me voor hoe de bewoners ontstemd raken wanneer de ramen van hun onderkomens door onze camper worden verduisterd. We hebben net een cameraatje voor op de voorruit gekocht, zodat mijn rijkunst nauwkeurig wordt geregistreerd en ik er gelukkig 's avonds, met de wielen veilig op de camperplaats, hartelijk om kan lachen.

Commentaren: 0

17. Mergelgroeve en verloren sleutel

Zo heel vaak komen wij niet in Maastricht, maar dit jaar zit er nog geen zes weken tussen ons eerste en huidige bezoek aan deze stad aan de Maas. Zaten we begin februari aan de noordelijke kant, deze keer is 't de zuidelijke zijde die we aandoen, bij de marina. De camperplaats, afgeschermd door een hoog ijzeren en chateauwaardig hek, ligt op een soort landtong ingeklemd tussen de Pietersplas en de Maas. Aan de overkant de in 1926 opgerichte en inmiddels verlaten fabriek en groeve van de Eerste Nederlandse Cement Industrie (ENCI). Vorig jaar is een definitief einde gekomen aan de cementproductie, die maar liefst 900.000 ton cement per jaar bedroeg. Het leuke is dat je de groeve nu, zelfs in coronatijd, gewoon kunt bezoeken.

We wachten een onbewolkte dag af zodat de grauwigheid van de industrie een mooi contrast vormt met het blauw van de lucht. Terwijl het complex aan de voet van de Sint-Pietersberg hemelsbreed slechts een paar meter van ons camperplekje vandaan ligt, is het zeker twintig minuten fietsen om er te komen. Pas vlak voor het Bonnefantenmuseum kunnen we de Maas over en rijden we terug langs de andere oever, vlak naast en onder de oude fabrieken en kantoren van ENCI door tot we via een van de afslagen op het terrein komen. Hier parkeren we de fiets en moeten we lopend verder.

De wandeltocht start vanaf een pleintje met allerlei eet-en koffietentjes, waar de zoete lucht van Luikse wafels domineert. Daarna begint het echte werk: licht stijgende paden van grint en gruis door een Grand Canyon-achtig landschap, op sommige punten gevuld met azuurblauw water, want ja, de mergelwinning in de Sint-Pietersberg heeft in het landschap diepe sporen achtergelaten. Kalkstenen kliffen en diepe afgronden - vanaf het hoogste punt is de groeve 95 meter diep. In diverse lagen van de krijtformaties komen fossielen voor, afkomstig van de opeenstapeling van skeletten en kalkschalen van zeedieren. Tijdens de late Krijtperiode, rond 68-66 miljoen jaar geleden, was er op de plek waar nu de ENCI-groeve ligt een ondiepe subtropische binnenzee.

Nu is het gebied grotendeels in beheer van Natuurmonumenten die met de herinrichting van de overgangszone tussen de groeve en het bedrijfsterrein zich richt op recreatie/wellness, horeca en creatieve bedrijvigheid. Zo zijn er al parkeervoorzieningen, een horecapaviljoen, een fiets- en mountainbikepad en wandelpaden aangelegd, plus een grote, natuurlijk ogende groeve met diverse kalkterrassen en steilwanden, kalkhellingen en een centrale waterplas.

Enfin, wij gaan op pad. Later lees ik dat wij niet voor de eenvoudigste looproute kiezen. Wij beginnen niet bovenaan de groeve zoals wordt geadviseerd, maar onderaan, zodat we de imposante honderdacht treden tellende groevetrap moeten beklimmen in plaats van kunnen afdalen. Deze stalen trap van veertig meter hoog, bevestigd tegen de mergelwand, vormt de verbinding tussen de Sint-Pietersberg en de kalksteengroeve en komt uit bij een uitzichtplatform. Daar verhit en licht hijgend aangekomen is het tijd voor de lunch. We gaan zitten op een bankje tegen een witte muur waarop met ijzeren letters de tekst "De tijd bestaat alleen maar omdat anders alles tegelijk zou gebeuren" is aangebracht. Het uitzicht over het grootste deel van het ENCI-terrein - tot aan de Maas aan toe - is magnifiek.

We hebben het warm gekregen van het klimmen en trekken ons jas uit. Dan gaat mijn telefoon. Een man heeft gezien dat ik cursussen op locatie geef en heeft belangstelling. Hij is er snel bij, want de avond daarvoor had ik deze dienstverlening pas aan mijn website toegevoegd. Hoewel het hem om schildercursussen te doen is en ik alleen schrijfcursussen geef, noteert hij - enthousiast over dit initiatief - de door mij verstrekte informatie nauwgezet. Hij ziet mogelijkheden voor de toekomst, zegt hij. Wat een succes en al zo snel! Van de weeromstuit gooi ik mijn jas ongecontroleerd over mijn schouder en vergeet dat ik daarin de fietssleutel heb gestopt. Ik kom er pas achter als we bij de fietsen zijn aangekomen en ik niet meer dan wat smoezelige servetjes uit mijn jaszak tevoorschijn haal. Ik baal verschrikkelijk. Teruggaan is geen optie. Hoe zal je een sleutel ooit terug kunnen vinden tussen al het steengruis? En ook: het meest waarschijnlijke is dat hij bovenaan de trap ligt, maar om die opnieuw te beklimmen en af te dalen klinkt ook niet echt aanlokkelijk.

Rienk stelt voor de camper te gaan halen en vertrekt alleen op zijn fiets. Afzonderlijk van elkaar en bijna gelijktijdig bedenken we ons even later dat er nog ergens een reservesleutel in de camper moet liggen, zodat Rienk na een uur niet met de hele santenkraam terugkeert maar gewoon op de fiets met in zijn zak mijn reservefietssleuteltje. En zo behouden we het geluk dat we de actieradius van een wandelaar en de lompheid van de camper kunnen blijven overstijgen. De maximale vrijheid is gelukkig niet verloren gegaan.

Commentaren: 1
  • #1

    Adrienne Dittrich (dinsdag, 22 juni 2021 19:06)

    Het is mij ook ooit overkomen. Net aangekomen op een camping, roept
    mijn buurvriendin, dat de koffie klaar staat.
    Gooi de camper op slot met een knopje en besef meteen, dat mijn sleutel binnen ligt.
    Gelukkig nog een reservesleutel thuis. Buurman bellen en die kon hem
    komen brengen. Ik stond gelukkig niet zo ver van huis.
    Check nu wel steeds of ik mijn sleutel aan mijn ketting in mijn zak heb zitten.

16. Glibberige paden en zompige aarde

Terwijl Rienk worstelt met een dikke waterslang met een gigantisch hoge druk om de watertank te vullen, laat ik het nieuwe camperonderkomen op mij inwerken. Het mag er dan allemaal heel armoedig uit zien, het uitzicht is fenomenaal. Keken we gisteren nog naar Duitsland, nu is het de beurt aan België waar het groene land zich glooiend over het dal uitstrekt met daarin tal van pittoreske dorpjes afgewisseld door kale bomen met dikke groene bollen erin. Ook zijn er lange rijen heggen te onderscheiden, zoals je vaak in Engeland ziet als afbakening van wegen. Dit alles bij elkaar is werkelijk adembenemend mooi.

Op het boerenerf staat de schuur op een kier. De grote ongelakte houten deur hangt scheef in een roestige rails. Ik glip naar binnen en verbaas me over het vele licht binnen. Eén koe komt enthousiast op me af en blijft afwachtend voor me staan; de rest eet onverschillig van het uitgespreide hooi. Vlak bij de deur staat een tractor die alleen 's nachts dienst doet, zoals later blijkt als we van motorgeronk en fel koplichtschijnsel wakker worden.

Weer buiten loop ik de dijk op en kan ik kijken op het schuurdak dat is gemaakt van grijze golfplaten; het blijkt vol gaten te zitten en verklaart de lichtinval binnen. Het zal me niet verwonderen als het van asbest is gemaakt. De officiële camperplaatsen staan inderdaad onder water, zoals de boerin bij aankomst al aangaf. Voor de rest zie ik wat ingestorte gebouwtjes met vuilnishopen, en door de hevige regenval ontstane waterstroompjes vermengd met mest en modder die het dal in stromen. Landbouwgereedschap, roestig, ligt her en der verspreid, evenals krom gebogen spijlen afkomstig van ijzeren hekken en stukken afgebrokkelde steen.

Nat en verkleumd gaan we de camper in, drinken een kop koffie en zien de avond vallen met steeds meer lichtjes in het dal. De deur van de schuur is iets verder geopend en ik kijk vanachter mijn raampje zo de stal in, waar de koeien vredig staan te herkauwen.

De volgende dag dient zich een droog moment aan en haasten wij ons in de wandelschoenen. Het pad op, naar het hoogste punt van de heuvel met nog meer ingestorte bouwwerkjes. Toch zijn de meeste huizen wel mooi en degelijk gebouwd, waarvan een aantal in Fachwerkstijl. De eerste tekenen van de lente dienen zich aan met het geel van de forsythia. Vlak bij het bos buigt een pad af naar beneden, richting Geul. Ook hier verwonderen we ons over de schoonheid van het landschap. Jammer dat het pad zo blubberig is en je meer glibbert dan loopt. Om niet echt uit te glijden lopen we voorzichtig voetje voor voetje verder, plotseling ingehaald door twee mannen met nordic-walkingstokken. Ze zullen ons wel eens laten zien hoe je hier moet lopen. Na wat opschepperige opmerkingen schieten ze voorbij. Een kwartier later, bovenaan een steil stuk naar beneden, komen we ze weer tegen. De ene man zit onder de modder; zijn broek en jas zijn helemaal bruin. 'Het is echt niet te doen', zegt hij hoofdschuddend. 'Als ik jullie was, zou ik omkeren.'

Lachend kijken wij hem aan. Nee, van omkeren is geen sprake, we zijn al zover gekomen, wij maken de klus af. En zo gebeurt het ook. Weliswaar met schoenen die een onherkenbare kleur aannemen en zich bij elke stap slurpend vastzuigen in de zompige klei, maar helemaal zonder valpartijen! Zelfs af toe wadend door een smal beekje, zodat ook de sokken nat worden, maar dat geeft allemaal niets. Het is een van de mooiste wandelingen die we maken. De velden met af en toe een boerderijtje, de bossen en natuurlijk de voortkabbelende Geul met steile afgekalfde kanten: wat een pracht! Bomen staan er met hun wortels in het water. Ik zie elzenpropjes en voorzichtig ontluikende knopjes in de struiken. Het voelt misschien nog niet zo, maar de natuur bereidt zich voor: de lente is begonnen. En je kunt dan wel iets zeggen van die twee oude mensen boven op de berg die in alle armoede een camping proberen te runnen, maar zij zitten toch maar mooi elke dag op een van de prachtigste plekjes van Nederland.

Hoewel de vrouw zeker ook de tekortkomingen ziet van zo afgelegen wonen. Als ik de volgende morgen afreken, zegt ze: "Het is hier geen gemakkelijk leven. Voor elk wiswasje moet ik naar het dorp. Gelukkig bezorgen ze nu sinds een paar maanden de boodschappen aan huis."

"Hoe deed u dat dan voorheen?", vraag ik.

"Gewoon met de auto."

"U rijdt?"

Mijn verbazing ontgaat haar niet en ze lacht me vriendelijk toe. "Jawel, hoe oud je ook bent, je moet altijd met je tijd meegaan."

En met die wijsheid loop ik terug naar de camper die klaarstaat om te vertrekken, me ondertussen afvragend hoe haar auto eruit zal zien.

Commentaren: 0

15. Draken en Limburgse heuvels

Naast storm en corona speelt de regen ons vaak parten. Zo ook bij de kasteeltuinen in Arcen die uiteraard zijn gesloten. We parkeren de camper op een van de verlaten parkeerterreinen met uitzicht op een prieel. Na de lunch nodigt het gebied uit voor een wandeling om de tuinen heen, maar vanwege de regen die ineens met bakken uit de hemel valt, zien we van de wandeltocht af en rijden verder richting Duitse grens.

Onderweg, net van de snelweg af, draaien we om een rotonde heen met in het midden een gigantische stalen draak. Het blijkt om een kunstwerk van Rik van Rijswick te gaan. Hij heeft er maar liefst twee jaar aan gewerkt. De draak staat symbool voor het Draaksteken en het Drakendorp Beesel, dat we even later nietsvermoedend inrijden. Alles is er draak, zelfs op het plaatsnaambord staan pootafdrukken van dit dier. Dit moeten we even op ons laten inwerken. We parkeren op het plein, waar gevels, vlaggen, borden, beelden en hekken alleen draak uitstralen. Er ligt zelfs een kronkelende keramieken drakenstaart van tientallen meters lang de kant van de weg. Echt bizar. Op Google lees ik dat al sinds 1736 de legende van Sint-Joris en de draak hier levend wordt gehouden - de oeroude strijd tussen goed en kwaad. Eens in de zeven jaar wordt er een groot openluchtspel opgevoerd: het Draaksteken. De inwoners bouwen dan zelf het decor (waaronder een compleet dorp en kasteel), maken de kleding en knutselen een maar liefst veertien meter lange, vuurspuwende draak in elkaar. Ja, de draak in Beesel leeft echt. Het Draaksteken, overgedragen van generatie op generatie en van persoon op persoon, staat zelfs op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed in Nederland.

Tussen de buien door maak ik enkele foto's, waarna we weer verdergaan om in Koningsbosch uit te komen. De boerderijcamping daar zal vandaag voor het eerst weer open zijn, maar het enige dat we zien is een gesloten toegangshek. Een meisje komt haastig aangesneld door de kou. De wind is aangewakkerd en heeft vrij spel over de licht glooiende landerijen. "Goh, ik had nog niet op gasten gerekend", zegt ze, terwijl ze een sjaal wat dichter om haar hals knoopt.

"Zijn jullie nog niet open dan?", vraag ik.

"Jawel, maar dat betekent niet automatisch dat er dan gelijk kampeerders komen. Eigenlijk zijn we er nog niet helemaal goed op ingericht." Het meisje wijst naar een gammel ogend hokje van vier gifgroene recht opstaande stalen golfplaten met een dun dakje erop. "Kijk, de schuur voor de fietsen van onze gasten; die moet nog beter worden vastgezet. Ik wacht op een paar mannen die dat klusje gaan klaren, maar ja, ze hebben steeds geen tijd. Daarna kan ik het plaatsje eromheen betegelen."

Het begint te hagelen en in de verte zie ik bliksemschichten. Ik knik; het is te koud om een lang gesprek aan te gaan.

Het slechte weertype houdt in totaal drie dagen aan. Rukwinden met een nog hogere snelheid dan de storm zetten de volgende ochtend op. Het wordt het schuurtje in aanbouw fataal. Een enorme klap en alle vier de wanden begeven het en slaan met een klap om. Ook de voortent van een geparkeerde caravan moet er aan geloven. Het meisje is in alle staten. Ze rent met haar armen in de lucht heen en weer. Twee mannen op een tractor ruimen de restanten op. Met zijn drieën maken ze het tegelplaatsje dicht. Het doet allemaal wat knullig aan, en eigenlijk ook wel een beetje aandoenlijk. Helemaal als een van de mannen 's avonds een plastic zakje als welkomstgeschenk komt brengen met daarin een visitekaartje en twee monsterflesjes: bodylotion en shampoo. Hij vertelt dat we ongehinderd vierentwintig uur naar Duitsland mogen.

We wachten een droog moment af en lopen de middag erop naar het plaatsje Waldfeucht, nog geen vijfhonderd meter vanaf de camping, zomaar Duitsland in. Bang voor aanhoudingen hoeven we niet te zijn, want het is een uitgestorven boel. Geen mens te bekennen. Het centrum is dan ook niet echt spraakmakend, maar het schelpenpaadje met daarboven de donkere wolken om Waldfeucht heen is mooi om te lopen.

De Limburgse heuvels bekoren ons en we besluiten er nog even te blijven. Niet in Koningsbosch maar een stukje verderop. Ik rijd en het is de eerste keer dat ik de flippers aan het stuur gebruik om zo de versnelling handmatig bij te sturen bij het afdalen. De weggetjes worden steeds smaller en ik vind het behoorlijk kicken om met die grote bak van ons overal langs te manoeuvreren, ook door het drukke Valkenburg heen. Een geschikte niet zo dure camperplaats die open is, ligt echter nog steeds niet voor het oprapen. Onze pijlen zijn op Vijlen gericht. De weg wordt nu zo smal en kronkelig dat ik het stuur aan Rienk geef. Bij nader inzien blijkt het nog slechts om een paar meter te gaan, want de overnachtingsplek die we op de app hebben opgezocht, zit - heel verrassend - al direct na de bocht waar we van bestuurdersplek wisselen.

Ook deze camperplaats is bij een boerenhoeve en na het winterseizoen pas een paar dagen open. En ook hier is het hek gesloten. We kijken elkaar aan en schieten in de lach. Daar staan we dan met ons grote vehikel op een heuvelachtige, bochtige en vooral smalle weg, waar we met goed fatsoen geen kant op kunnen. "Weet je wat?", zeg ik. "We vragen gewoon hoe het zit en of we hier kunnen overnachten. Ik bel de camping op."

Een verwarde man neemt op. De telefoon wordt uit zijn handen gegrist en ik krijg een vrouw aan de lijn. "De camping is inderdaad gesloten", antwoordt ze op mijn vraag. "Het is te nat en we hebben geen verharde staplaatsen. Wat wel kan, is dat u bij ons op het boerenerf komt staan. Daar is wel een harde ondergrond', biedt ze hulpvaardig aan.

Ik neem de situatie buiten in me op en zie na de campingafslag alleen een pad met kuilen vol plassen regenwater en mestrestanten dat tussen twee vervallen schuren doorloopt. Als ik door de beregende ruiten in de verte tuur, kan ik naast de in landbouwplastic omwikkelde balen stro een nagenoeg vlak stuk asfalt aanschouwen, met daarachter een talud dat zich richting dal uitstrekt. Zal de vrouw dit als staplaats bedoelen?

"Jaaaa! Dat is het", zegt ze enthousiast nadat ik heb beschreven wat zich in mijn natte blikveld opdoemt. "Wacht ik kom meteen naar u toe, dan zal ik het u laten zien." Op het pad verschijnt een klein, oud vrouwtje in schort, zonder jas als bescherming tegen de stromende regen en harde wind. Kranig klautert ze tegen de dijk omhoog en wijst ons de weg. Met open mond en stijgende verbazing volgen we haar aanwijzingen tussen bagger en schroot op. Waar we nu nog toch zijn terechtgekomen! Het lijken wel prehistorische tijden. De Beeselse draak zal hier dan ook wel niet lang meer op zich laten wachten.

Commentaren: 3
  • #3

    Floriske Gerritsma (vrijdag, 18 juni 2021 13:34)

    Tjee wat een avonturen, ik zie het helemaal voor me :-)
    Gaaf he om op zo'n groot vehikel te rijden? Ik heb mijn busrijbewijs en vond dat destijds ook best stoer.

  • #2

    Jacqueline (vrijdag, 18 juni 2021 13:18)

    Wat leuk om te lezen. Heel sfeervol. Petje af voor jullie avonturiers.

  • #1

    jannie harmsen (vrijdag, 18 juni 2021 11:28)

    Stoer verhaal Connie, vooral de draken, de vrouw achter het stuur van de grote camper en het kranige vrouwtje in de stromende regen maken indruk. En het meisje wordt ook vast een flinke!
    Heel leuk verslag van jullie belevenissen met de camper. Goed geschreven, graag gelezen.

14. Onthaasten

Onthaasten hoort bij de levensvorm die we hebben gekozen. Niet voor niets hebben we deze reisblog 'Slow Living' genoemd. Helaas is niet elke locatie even geschikt als onthaastingsverblijf, maar nu hebben we twee adresjes, dicht bij elkaar in Limburg, die over alle kenmerken beschikken, en dan ga je vanzelf ook anders tegen bepaalde dingen aankijken, zoals bijvoorbeeld tegen mijn haar. Bij ons vertrek op 21 december 2020 was dat lang en felrood. Ik verfde het elke zes weken. Dat is in de camper natuurlijk niet echt handig, dus zal ik voor een verfbeurt voortaan moeten uitwijken naar openbare sanitaire gelegenheden en dat is nu net iets wat we willen vermijden. Het gevolg is dat ik nu bijna drie maanden met een behoorlijk grijze uitgroei rondloop. Rienk vindt het charmant staan; ik moet eraan wennen en onze dochter schrikt als ik haar vertel dat ze straks een andere moeder krijgt te zien: geen langharige rode, maar een veel korter geknipte grijze.

Het eerste onthaastingsplekje ligt in het buitengebied van Lottum, het "Rozendorp van Nederland". Ieder even jaar vindt in Lottum rond de tweede zondag van augustus het Rozenfestival plaats. Er zijn dan tuinen met mozaïeken en kunstobjecten versierd met ontelbare rozenknopjes door heel Lottum te vinden en er is een rozenfietsroute. Voor ons - in maart - blijven de rozen verborgen.

De kennismaking met de eigenaars van de camperplaats verloopt heel ontspannen en gezellig. Zij waren het onthaasten juist beu en hadden het luie leven in een huis met zwembad aan een van de Spaanse Costa's nog niet zo lang geleden ingeruild voor een drukker bestaan. Al pratende komen we van het een op het ander en dan blijkt dat ze jarenlang in Vlist hebben gewoond, een paar kilometer vanaf ons huis in Stolwijk. De vrouw heeft gewerkt bij hetzelfde bedrijf als Rienk, alleen wat jaren later. Haar baas was een collega en tevens vriend van Rienk. Soms is de wereld wel heel erg klein.

Ze hebben een mooie wandeling voor ons in petto. Eerst door het bos met heel veel omgewaaide boomstammen, begroeid met een bijna fluoriserende mossoort, en met stapels omgekapte stammen langs de kant van de paden, klaar voor transport naar de houtverwerkingsbedrijven.

Het bos komt uit bij een spoor, dat we een stukje volgen. Na een tijdje slaan we af en passeren een schattig Hans-en-Grietje-huisje, waar een man de houtstapels inspecteert. Hij vertelt dat de houtkap in dit gebied gigantisch is: "Alles voor het natuurbehoud. De grond is drassig en het grondwaterpeil hoog door de soms tot ver over de oevers uitdijende Maas. Bossen van elzen, berken en populieren wisselen elkaar af met schrale graslanden. Door ingrijpen van de mens blijft het landschap onveranderd, in ieder geval net als toen in 1394 Kasteel Kaldenbroek werd gebouwd, dat meer weg heeft van een oud landhuis dan van een kasteel."

Er zijn veel tuinkwekers in dit gebied. Boerenweggetjes meanderen tussen de coniferen en de aspergevelden.

Slechts een paar kilometer vanaf Lottum ligt Grubbenvorst; de woonplaats van een collega-kunstschilder, -schrijver en -reiziger met wie ik op Facebook regelmatig contact heb. Een van de leuke dingen van sociale media vind ik, dat het aantal reacties van vrienden toeneemt naarmate je hun woonplaats nadert. Dan vertellen ze allerlei wetenswaardigheden en sommigen stellen zelfs een ontmoeting voor.

In Grubbenvorst krijgen we de eigenaars van de camperplaats niet te zien. Alles gaat anoniem: betalingen en inschrijvingen via een envelop en informatie via folders in een informatiehuisje. Eigenlijk zoals bij de meeste camperplaatsen. Vaak komt de eigenaar dan nog wel langs voor een gezellig praatje, maar hier dus niet. Zelfs de gratis eitjes worden vroeg in de ochtend ongezien in een mandje neergelegd.

We kijken over een verdord veld zo de bossen in. Naar akelig dunne bomen die wiegen op de wind en knakken in de storm die steeds meer aanwakkert. Alles beweegt, net als op het camperterrein de witte torso met rond gat dat ik aanzie voor een moederschoot. Als de storm iets in kracht heeft ingeboet, wagen wij ons naar buiten en wandelen onder krakende en woest heen en weer zwiepende takken door. Af en toe moeten we over omgewaaide en ontwortelde bomen heen stappen. Het zand van de kluit waait ons in de ogen. Een stukje verderop liggen de vlakke velden, waar complete zandverstuivingen zijn. Uiteindelijk komen we bij het huisje aan de spoorlijn en keren om, terug naar de camper waar het onthaastingsproces zich in de razende stilte van het gebied voortzet.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (maandag, 14 juni 2021 17:10)

    Altijd leuk om jullie avonturen te lezen!

13. Schepen en souvenirs

Net als een paar jaar geleden in de galerie, doen we nu onderweg heel verrassende contacten op. Zo ook op de camperplaats in Druten, pal aan de Waal. We hebben ondertussen best al wat plekjes gezien met heel grote, lange en hoge schepen, maar hier is het net een stukje imposanter. Vaak zitten de boten met z'n tweeën aan elkaar vast en vervoeren ze vooral aarde en kiezel. Er zijn er ook die met z'n drieën tegelijk gaan en worden voortgeduwd door een vierde boot. Zij transporteren zwartere en grovere hopen; waarschijnlijk steenkool. En dan varen er nog schepen voorbij met containers, drie tot vier hoog opgestapeld. Het meest indrukwekkendst van alle vrachtverkeer vind ik het uit twee delen bestaande transport van personenauto's, ondergebracht in ijzeren kooien die ons huisje zelfs voor een paar minuten een beetje verduistert.

Als we het terrein op komen rijden is er nog maar één plekje over; helaas net niet passend. Dan komt de meedenkende collega-camperaar om de hoek kijken. Breed lachend wijst hij naar een plaats schuin achter hem: "Als u hier eens gaat staan, dan hebt u aan twee kanten water. Past precies en hebt u ook nog eens veel mooier uitzicht."

Het lijkt een aantrekkelijk en voor de hand liggend voorstel, maar voor deze plaats hebben wij een verlengstekker nodig om de twee meegenomen elektriciteitskabels aan elkaar te koppelen, en laten we die nu net nog niet hebben.

"Oh, da's geen probleem, hoor" en weg is onze man. De hoek om naar de andere kant van zijn camper, waar hij wat scharrelt in zijn gereedschapskist. Met een rood hoofd komt hij even later omhoog en houdt het ontbrekende onderdeel triomfantelijk in de de hoogte. "Kijk eens, wat ik heb. Die mag je wel lenen tot morgenmiddag, want dan vertrekken we pas."

Het is een mooi aanknopingspunt voor verdere conversatie over permanent camperen. Wij doen nu wat zij ooit willen en wisselen onderling adressen van leuke plekjes uit, zoals de Stadscamping in Deventer, waar wij in mei terechtkomen. De ochtend erop is er een hartelijk afscheid, WhatsApp-adressen worden uitgewisseld en sindsdien contacten we af en toe over elkaars wel en wee.

's Middags fietsen we over een voor gemotoriseerd verkeer verboden lange, hoge dijk naar een bouwmarkt op afspraak in Beneden-Leeuwen voor een eigen verlengstekker, zodat we nog een nachtje kunnen blijven op 'onze' pier aan de Waal. Het grappige van deze camperplaats is dat het sanitair in een boot is ondergebracht, evenals een (nu nog gesloten) restaurant. 's Avonds is de boot feestelijk verlicht. Een schril contrast met de vrachtschepen die 's nachts bijna onverlicht doorvaren.

Op de volgende camperplaats, in Oirschot, boeten we qua levendigheid in, hoewel het daar ook beslist niet verkeerd staat met eveneens uitzicht op water: het Wilhelminakanaal. Weliswaar een stuk smaller dan de Waal en afgeschermd door een bospad, maar er vaart af en toe toch een behoorlijk formaat boot voorbij.

Het is nog wel even een toer om op de camperplaats te komen over de smalle groene Miekoeksebrug. Het verhaal gaat dat deze brug zijn naam te danken heeft aan Mietje Koek die met haar ouders vanuit het oosten van het land naar Oirschot verhuisde. Tijdens de aanleg van het Wilhelminakanaal woonde Mietje in de buurt en schonk zij af en toe een kopje koffie of borreltje in voor passanten. Met de komst van de brug moest Mietje verhuizen en als eerbetoon werd de brug naar haar vernoemd. Een eindje verderop, recht tegenover het centrum, ligt een andere markante brug. De Stönner-Meijwaardbrug, bedoeld voor fietsers en wandelaars en genoemd naar twee gesneuvelde soldaten in de Tweede Wereldoorlog. Spiksplinternieuw. Een goede maand later zal hij officieel online worden geopend.

Oirschot is een prachtige plaats met meer dan driehonderd rijks- en gemeentelijke monumenten; het dorpsgezicht is beschermd. De Sint-Petrusbasiliek vult het plein met daaromheen tal van mooie huizen, winkels en horeca. Op het moment dat ik foto's schiet van de basiliek, komt een man uit de kerk en biedt ons een rondleiding aan. In eerste instantie denken we dat het om de pastor of een andere geestelijke gaat, maar daar blijkt niets van waar. Het is een gewone burger uit op een praatje die er niet voor schuwt tijdens ons gesprek zijn eigen huis, recht tegenover de kerk, in vol ornaat te omschrijven. Wij slaan zijn aanbod af en achteraf gezien is dat jammer. Te laat komen we erachter dat Odulphus de meest bekende inwoner van Oirschot is. Hij hield opstandige Friezen in toom, bestuurde een gebied van Friesland tot Vlaanderen en werd na zijn leven als heilige vereerd. In de Sint-Petruskerk is een speciaal Odulphusaltaar uit circa 1890, waarop zijn leven wordt afgebeeld. In plaats van ons in deze geschiedenis te verdiepen zijn wij nu meer uit op triviale zaken en willen een souvenir kopen om de camper op te fleuren. Het plan was om uit elke interessante plaats die we aandoen iets leuks mee te nemen als aandenken, maar dat is niet makkelijk in coronatijd. Toch weet ik twee takken met kunstbloemen en een lief houten schaapje met een dot wol op de plek van zijn lijfje te bemachtigen, ter ere aan de naderende Pasen en het voorjaar.

Na de grootste houten stoel van Europa, in 1958 neergezet als eerbewijs aan het vakmanschap van de Oirschotse meubelindustrie, te hebben gezien, keren we terug naar de camperplaats. Hier is het een drukte van belang. Niet alleen de camperaars zelf zitten buiten, maar ook hun familie, vrienden en kennissen die ze hebben uitgenodigd. Camperplaatsen zijn gewilde ontmoetingscentra geworden, waarbij kou manhaftig wordt getrotseerd. Tegenover ons staan twee campers uit dezelfde Rotterdamse straat. Buren zonder tuin die elkaar eindelijk weer eens spreken. Wij zijn te ver weg om bekenden uit te nodigen en zoeken de warmte van de camper op, waar het interieur steeds gezelliger wordt. Helemaal als Rienk met het lumineuze idee komt mijn project, om alle oude fotolijstjes te vullen met tekeningen, aan te wenden voor de realisatie van een kleine galerie met voorstellingen van plekjes die we hebben bezocht. Een mooier souvenir is niet denkbaar.

Commentaren: 0

12. Hoog water

We zijn in de provincie Utrecht; bij Fort Everdingen, dat als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de negentiende eeuw werd gebouwd en gebruikt als magazijn voor munitie en springstof. Een fortterrein van maar liefst twaalf hectare groot. Nu een natuurcamping en zo'n zes jaar in handen van een bierbrouwerij, én -proeverij; de laatste vanwege corona momenteel gesloten.

Met de snoet van de camper staan we richting de volgelopen uiterwaarden van de Lek. Op sommige stukken piepen de daken van de bunkers net boven het waterniveau uit. Volgens de campingbeheerster komt het niet vaak voor dat de waterstand zo hoog is. Het klompenpad door de weilanden en uiterwaarden, historische dijken en boerenland is er onbegaanbaar door geworden.

In de verte ligt Gelderland met Culemborg en de Kuilenburgse spoorbrug, na de voltooiing in 1868 even de langste ter wereld. Elke trein die de brug passeert wordt enthousiast beschreven door een jongetje van een jaar of acht. Hij staat boven op een heuvel - daar waar vroeger de kanonnen stonden opgesteld - en strooit zijn bevindingen al schreeuwend over de campinggasten uit. De camperaars trotseren de kou en laven zich aan de warmte van de vuurkorven. De vader van het jongetje staat een stukje van hen vandaan en is druk met zijn smartphone. Onverstoorbaar. Doof voor het enthousiasme boven hem. Totdat de stem van het kind ineens een paar octaven omhoogschiet als hij vast komt te zitten in een doornachtige struik. Het kan niet anders of de vader zal zich moeten losmaken van zijn schermpje en de heuvel beklimmen om zijn zoontje te bevrijden. De gezichten om hem heen gebieden hem daartoe. Met zichtbare tegenzin klautert de man omhoog, terwijl de blikken van de camperaars in zijn rug prikken.

Na dit incident zie ik dat je vanaf de camping drie kanten op kunt. Als eerste fietsen wij over de dijk naar Culemborg. Een rit gekenmerkt door oorlog. Behalve de bijna onder water staande bunkers passeren we het sluizenstelsel uit 1875 dat ervoor diende het gebied onder een laag water te zetten om vijandelijke opmarsen te verhinderen. Wellicht trad de Lek in die tijd nog niet buiten haar oevers en zeker niet op commando...

We gaan langs de tankversperring uit 1939/1940 en langs nog meer oorlogshistorische bouwwerken. Een tochtje dat qua afstand niet veel voorstelt maar wel eentje met een kilometerslange beleving voordat we uiteindelijk in Culemborg belanden. Hier springt vooral het stadhuis op de Oude Vismarkt in het oog. Iets verder dijkwaarts ligt het kleine dorpje Beusichem, waar we aan het plein op een bankje voor de kerk onze lunch eten, gekocht bij de plaatselijke supermarkt. Op het industrieterrein van Beusichem, met in de kern vooral markante villa's, is een bedrijf dat oude legervoertuigen verkoopt. De oorlog waart overal rond.

Bij terugkomst op het fort maakt onze rechterbuurman aanstalten te vertrekken. Vanwege zijn mooi geformuleerde zinnen en gedistingeerde uiterlijk noemen we hem de ''Uitgever". Bij nadere kennismaking blijkt het om een restauranthouder uit Zwolle te gaan. Hij en zijn vrouw zijn voor een paar dagen naar Everdingen vertrokken om hun dochter die in Utrecht studeert te ontmoeten. Met z'n drieën overnachten ze in een camperbus die door de "Tapasman", zoals we hem nu noemen, enorm wordt geroemd. Des te ongemakkelijker voor hem als bij vertrek de accu leeg is en wij en een ander stel de auto moeten duwen. De motor van de camperbus heeft slechts een klein vlak stukje grond ter beschikking om aan te slaan, want direct daarna gaat het heuvelopwaarts. Correct chaufferen is dus een eerste vereiste en die kunst lijkt de Tapasman niet heel goed te beheersen. De mannelijke helft van het duwende stel, voormalig directeur van een garagebedrijf, loodst hem erdoorheen. Na afloop krijgen we alle vier een visitekaartje met het adres en de belofte voor een gratis drankje bij bezoek aan het restaurant.

Dankzij de vrijgekomen plaats kunnen we opschuiven naar het vrijgekomen plekje zodat we niet alleen aan de voorzijde maar ook aan één zijkant vrij zicht hebben. Het zonnetje breekt door en nodigt uit om de luifel uit te proberen. Door de achterblijvende temperaturen helaas de enige keer in het voorjaar dat die wordt uitgerold en voor echt lang buiten zitten is het ook deze middag te koud. We ruilen de luie stoel in voor de fiets en gaan de andere kant van de dijk op, naar Vianen, langs het imposante stuw- en sluizencomplex Hagestein. Het complex bestaat uit een stuw en een schutsluis. Bij de stuw hangen twee vizierschuiven (boogvormige staalconstructies) in het water. Wanneer de rivierwaterafvoer groot is, en dat is pakweg vijfenveertig dagen per jaar, staan de bogen van de stuw omhoog en hoeft de scheepvaart geen gebruik te maken van de schutsluis.

Voorbij de sluizen is de dijk tijdelijk afgesloten en moeten we via de bedrijventerreinen onder de rijksweg door, om in Vianen te komen. Deze plaats is gebouwd rond de haven en aangelegd als vestingstad, ter verdediging tegen vooral het naburige Utrecht. Ook hier valt het stadhuis op. Verder zijn vooral de stadsmuren, verdedigingswerken en kastelen kenmerkend voor Vianen en durf ik nu - na een week Fort Everdingen - te concluderen dat deze streek heel veel oorlogsverleden uitademt en de Lek een alles overheersende rol in het landschap inneemt. En heel concreet: in de tijd dat wij er zijn, valt me op dat de 'Flipjes', zoals ik de fruitbomen als afgezanten zie van het beroemde Betuwse Flipje, steeds meer ademruimte krijgen. Het waterpeil is tanende. De vijand is geweken. 

Commentaren: 0

11. Waddenkust en gedenkteken

Het eigen bed in Sint-Annaparochie voelt onwennig, met de camper op vijf kilometer afstand. We zijn voor drie dagen in het appartement, voornamelijk om de laatste tekeningen uit de coronaregenboogserie in te schilderen. Ze maken deel uit van een project, waarvoor ik door een bevriende kunstenaar ben uitgenodigd. Tegelijkertijd benut ik de tijd voor het verzamelen van materialen voor nieuwe kunstprojecten waaraan ik onderweg kan werken.

Wanneer we de camper ophalen, wacht ons een verrassing. We hoeven niet te betalen. In ruil voor de kortstondige stalling wil de boerin, een echte Friezin, een exemplaar van mijn boekje "De geschiedenis van de Friese Elfsteden in vogelvlucht". Nadat ik het boekje voor haar heb gehaald, mogen we nog even om het hoekje kijken in de stal, waar zojuist het eerste lammetje is geboren. Zo schattig dat kleine bolletje witte wol. We zijn helemaal vertederd als we aan ons derde rondje door Nederland beginnen, vooralsnog de langste.

We rijden over de Afsluitdijk. Aan het einde, bij de Stevinsluizen ligt het dorp Den Oever met, tussen de Buitenhaven en de Noorderhaven, Parking Oostkade. Een prachtige camperplaats waar we al meerdere keren hebben gestaan, en die nu opnieuw wordt ingericht. Het viskraampje is inmiddels verhuisd naar een restaurant; een nieuw gebouw op de plaats waar eerst het sanitair was.

Aan de overkant van de Noorderhaven ligt het dorp. Daar was ik nog niet eerder. Ik word verrast door de haven gerelateerde ornamenten in de voortuinen, zoals een reddingsboei, vuurtoren of soms gewoon een simpel stuk wrakhout. Sommige huizen hebben patrijspoortjes als ramen. Door de grote haven heeft Den Oever veel cafés en restaurants en zelfs een molen, maar geen kerk. Die is in 1960 afgebroken en in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen opnieuw opgebouwd. Na wat omzwervingen kom ik langs de Coupure, een doorgang in de waterwerking die in nood kan worden afgesloten zodat er geen overstroming plaatsvindt. Het zicht op de kleurige vissersboten en de reuring op de kade blijven boeiend. Ik ga het centrum weer in en kom na een poosje bij het Wad. Daar ziet de kust er, qua begroeiing en de dijk van asfalt, hetzelfde uit als in Friesland. In de verte zie ik zelfs een kerkje opdoemen, net als in Wierum. Het blijkt om de Michaelskerk in Oosterland te gaan, helemaal opgetrokken uit turfsteen. Ik ben enigszins verrast, want een dergelijk landschap had ik hier niet verwacht. Dacht eigenlijk dat dit soort natuurschoon alleen aan Friesland en Groningen was voorbehouden. Later lees ik dat Den Oever ook wel de Poort naar de Waddenzee wordt genoemd. Ik geniet zonder te beseffen dat het waarschijnlijk de laatste keer is dat ik hier ben, althans als camperaar. Na de herinrichting zullen de voorzieningen niet meer terugkomen en de overnachtingskosten stijgen. Voortaan zullen we, voordat we aan een rondje Noord-Holland beginnen, overnachten aan de Friese kant; in Harlingen. Maar daarover later meer...

Eerst gaat de tocht verder naar Vijfhuizen: Camperpark N205. Ook hier waren we eerder en wandelde ik er door het voormalige Floriadepark. Nu is het tijd voor een fietstocht die start bij het Nationaal Monument MH17; een bijzonder landschapsobject. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de vliegtuigramp zijn in een parkachtige setting 298 bomen geplant in de vorm van een groen lint; voor elk slachtoffer één boom. Een herdenkingsbos met gedenkteken.

Vervolgens verkennen we de plaatsen om Vijfhuizen heen, waaronder Hoofddorp en Heemstede. De route gaat langs het prachtige onderkomen van het Cruquius museum. Het begint te schemeren wanneer we Haarlem binnenrijden. Om niet voor de zoveelste keer in het donker te verdwalen lijkt het beter op tijd terug te zijn in het camperpark, waar eind januari de lichtjes in de kerstbomen nog altijd branden en een paar mensen rond een vuurkorf zitten. In het licht van de koplampen staat een man te zagen. Een ieder heeft zich teruggetrokken in zijn eigen wereldje, of dat nu in een mooie dure camper is of in een oude, gedeukte bus. Leven en laten leven. Samen in de strijd tegen corona. Boven ons vliegen de vliegtuigen af en aan. Daar lijkt geen enge ziekte te bestaan. 

Commentaren: 0

10. Sneeuw en ijs

Eigenlijk zouden we vanuit Maastricht op de fiets naar Valkenburg gaan, maar nu we ons op de dreigende vorst moeten voorbereiden, doen we dit toeristische plaatsje even als tussenstop met de camper aan. Want er zomaar aan voorbijrijden, is geen optie. Valkenburg hoort op de een of andere manier bij mijn familie. Mijn ouders zijn hier op huwelijksreis geweest en hebben er later, met mij erbij, een aantal vakanties doorgebracht. Ook hun vijfentwintig jarig huwelijksfeest hebben ze hier met ons gevierd.

Het is niet druk in het stadje, zoals nergens op dit moment met corona. We lopen door de straatjes. Rienk moet van mij op de foto; bij de Grendelpoort, met een doorkijkje naar het muziekcafé 't Jachthoes. Precies zo'n plaatje heb ik bijna vijftig jaar geleden van mijn moeder geschoten. Vlak bij het poortje spotten we naast een huisdeur een Paastak met eitjes. Kerstversiering maakt plaats voor Paasversiering. Nog zeven weken te gaan en dan is het zover.

Ook in Helden is de Kerstversiering opgeruimd. Daar nog geen Pasen te bekennen, maar wel carnaval. Bijna elk huis heeft wel iets van slingers of vlaggen. Bij één familie zijn ze wel heel enthousiast. Daar hebben ze van kleurige kleding vier poppen gemaakt die door de voortuin de polonaise lopen.

In het zuiden van het land laat de voorspelde sneeuw nog even op zich wachten. Het is pas aan het eind van de middag als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen en wij naar buiten gaan. De wind is snijdend en gaat dwars door mijn jack dat ik had gekocht vanwege de min-vierentwintig-graden-garantie. Het lijkt alsof ik in mijn T-shirt loop.

Bij terugkomst is er een camper bij gekomen. Kameraadschappelijk, als twee witte 'koelkasten' in de sneeuw staan ze klaar om de strijd met de elementen aan te gaan. Vijf dagen houden ze dapper stand, terwijl zich om het karkas een harnas van ijs vormt en de grille de contouren aanneemt van een kleutergebit dat aan het wisselen is. Tussen de twee kameraden murwt zich tegen de avond een klein busje. Het lijkt niet zo goed bestand tegen de extreme weersomstandigheden. Afgaande op de weinige woorden die ze zeggen, blijken de Engels sprekende 'bewoners' uit Amsterdam te komen. Wat er precies met hun onderkomen aan de hand is, weten we niet, alleen dat er iets goed mis is, want je ligt niet voor niets een paar uur half onder een bus met een brander en teiltje midden in de natte sneeuw. En ook sta je niet voor je lol uren op het dak. We vragen of we kunnen helpen, maar daar willen ze niets van weten en keren ons min of meer de rug toe. Na vijf dagen neemt de ergste kou af en is de sneeuwlaag niet meer zo dik. Het busje vertrekt.

Maar voordat het zover is, dalen elke dag nieuwe dikke witte watten neer; op het terrein, op de aspergevelden, op de bomen, de struiken; en ook op de paarden en de pony's, dik weggedoken in hun wollige vacht. En telkens daarna schijnt de zon op de vers gevallen sneeuw en laat de ijskristallen fonkelen. Een camperterrein als in een sprookje dat voorlopig niet in schoonheid hoeft in te boeten, want de boer strooit geen zout. En elke dag opnieuw trekken we eropuit, worstelend door de hoge sneeuwduinen op de velden, struikelend over de aspergeverhogingen die we niet zien en glijdend over de platgetrapte paden in de bossen.

Een man wijst ons op een groepje dennenbomen in de verte: 'Zo mooi. De zon smelt de sneeuw op de takken totdat de druppels aan de uiteindes blijven hangen. Door de wind bevriezen ze weer. Het lijken net kerstbomen met glazen pegels erin.'

Even later komen we eraan voorbij. Hij heeft niets te veel gezegd; ik schiet zeker tien foto's .

Een Christusbeeld aan een kruis aan de kant van de weg slaat me zwijgend gade. Aan de daken van de varkensstallen kraken de ijspegels. In het centrum ronken de sneeuwmaaiers.

Langzaam aan stopt het met sneeuwen en worden de wegen begaanbaarder. De zon doet de rest. We proberen het ijsharnas met onze handen van de camper te breken. Dat is niet makkelijk, want op sommige plekken is het ijs wel vijf centimeter dik. De motor maakt ons werk af. Pas in Lhee, waar we de voorspelde ijzel afwachten, vallen de laatste stukken eraf. Tenminste, daar lijkt het op. Nadere inspectie met de telescoopladder die we onderweg in Tegelen bij een bouwmarkt hebben opgehaald, toont een bevroren dak.

Ook in Lhee lijken we in een sprookje te zijn beland. De lage, kleine boerderijtjes, de smalle weggetjes, de bossen, de velden; alles is met een dikke laag sneeuw bedekt. Op het meertje, waarin nog geen anderhalve maand geleden de kerstboom weerspiegelde, wordt geschaatst. Niet lang, want de ijzel zet in. Een hele dag regen verandert de witte wereld in een grijsgrauwe nattigheid met plassen die tot je enkels komen. Gek genoeg voelen wij ons dan op ons best. Eindelijk een hele dag ongelimiteerd met de laptop op schoot, totdat de pupillen vierkant zijn. 

Commentaren: 1
  • #1

    Ellie Schmitz (woensdag, 26 mei 2021 12:01)

    Ik zie het voor me Connie en tijdens het lezen voel ik ook hoe jullie genieten. Mooi!

9. Dicht Getimmerde steden

Ik heb het er al eerder over gehad. De inrichting van de camper behoeft naar ons idee enige aanpassingen, zodat het allemaal wat persoonlijker wordt. Wat dat betreft zijn we al aardig op weg met de plantjes uit Sint Annaparochie, maar het kan beter. Om de sfeer van ons appartement, dat vol met mijn schilderijen hangt, een beetje te evenaren heb ik vier royale kussens in Tilburg laten bedrukken met afbeeldingen van een aantal werken. De bestelling verliep via internet en nu is het tijd om die op te halen, net als een exemplaar van een gedichtenbundel met een paar van mijn gedichten. Voor het boekje moeten we naar Eindhoven.

Het oorspronkelijke plan was om in beide steden op een stadscamping te gaan slapen, maar vanwege de uitbrekende rellen over de avondklok zien we daarvan af. De journaalbeelden van dichtgetimmerde winkels zijn behoorlijk ontmoedigend. In plaats daarvan gaan we een nachtje naar Helden, dat dicht bij allebei de locaties ligt. We waren daar eerder en de aspergeboer ontvangt ons dan ook blij verrast.

Deze keer pakken we de fiets om de omgeving te verkennen en komen zo terecht bij een wel zeer aparte rotonde in Panningen die het midden houdt tussen een schroothoop, een ongeluk en een kunstwerk. Waarschijnlijk is het laatste het geval, maar het ziet er uiterst curieus uit met oude auto's en een tractor die tussen het groen omhoog steken.

Na een heerlijk soepje bij de aspergekweker en een goede nachtrust rijden we de volgende middag in een stuk vrolijker interieur naar Camperplaats Maastricht, pal aan de Maas. Met honderd plaatsen is het een van de grootste camperplaatsen in Nederland en de eerste plaats in Zuid-Nederland die puur is ingericht voor campers. Negenennegentig plaatsen zijn vrij, dus we hebben het voor het uitkiezen. We gaan voor een plekje op de eerste rij met goed zicht op de grazende Schotse hooglanders en het aan de overkant gelegen kasteel Borgharen. Bij aankomst treffen we prachtig zonnig weer, dat al gauw omslaat als we te voet naar de Stuwweg gaan, waar een soort kleine waterval is met arken op het hoogste niveau gelegen.

Gelukkig is het de volgende ochtend weer droog en zonnig, en zelfs - voor het eerst dit jaar - doet het een beetje warm aan. Op de fiets kunnen de handschoenen in ieder geval uit en zo komen we langs een geweldig mooi beschilderd huis met een levensgrote vogel in het centrum. Een centrum kaler en stiller dan ooit, met een nagenoeg verlaten Vrijthof. Er omheen de restaurants met dichtgespijkerde deuren en ramen. De beeldengroep met vijf gekleurde carnavalsvierders is de enige die leven in de brouwerij brengt. In de straten is het al niet veel beter. Bijna geen etalage te bekijken. Overal houten platen. Een lunch to-go zit er eveneens niet in. Bij Jamin kopen we een Churros en ertegenover een Luikse wafel, iets anders is er niet. We gaan over de Markt en zien het stadhuis eenzaam uitkijken over de keien. Twee jaar eerder zaten we er op een van de pop-up-terrasjes bij de marktkraampjes. We lopen langs de Maas, over de Servaasbrug richting station. Ook hier een desolaat schouwspel. Gelukkig maakt het weer veel goed, het wordt steeds warmer. De jas kan los.

Op de terugweg rijden we de camperplaats een stukje voorbij. Op nog geen kilometer afstand ligt België. Smeermaas Lanaken staat er op het plaatsnamenbord. Het ligt aan een dijkje met een bankje, waar we van de weerspiegelingen op de Maas genieten. Het plaatsje mogen we niet in; daarvoor is vanwege corona een "verklaring op eer" nodig. Dat weten we van de enige andere camperaar die bij ons staat. Een Maastrichtenaar met een appartement op nog geen twee kilometer afstand, waar hij vrijwel nooit is. Hij en zijn vrouw wonen bijna net zo permanent in de camper als wij. Normaal staan ze rond deze tijd in Spanje, zoals zo veel camperaars die we onderweg spreken. Het is Spanje of Oostenrijk, ergens anders lijken ze in de winterperiode niet naartoe te gaan.

Er wordt koud weer voorspeld met strenge vorst. We overleggen met de Maastrichtenaar die dit jaar een beetje de zaken van de camperplaatseigenaar overneemt. Wordt het water afgesloten; kunnen we het chemisch toilet legen als straks de koude toeslaat? En hoe moet het met de elektriciteit? De stroom is hier erg duur. Natuurlijk kunnen we in geval van nood overschakelen op gas, maar de dichtstbijzijnde leverancier van gasflessen zit een eind weg en hoe komen we daar als de wegen zijn bevroren en het misschien gaat ijzelen?

De man pleegt overleg met de eigenaar. We mogen voor de helft van de prijs stroom gebruiken. Hoe het met het water gaat, kan hij niet zeggen. Voorlopig laten ze de kranen open. Wat is wijsheid? Zullen we blijven of gaan we terug naar Helden? Daar is alles goed voor elkaar. We kennen de eigenaar en weten dat er een schuur is waar we terecht kunnen water en het legen van het chemisch toilet. Water innemen zal wat moeilijker worden, maar als we de watertank tot aan de rand vullen en om de dag douchen moeten we een heel eind kunnen komen. En zo maken we ons op voor een derde bezoek aan de aspergeboer.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (zondag, 23 mei 2021 13:14)

    Zo leuk jullie avonturen in woord en beeld te volgen!

8. Na regen komt vorst

De fietsen blijken een welkome aanvulling op onze camperuitrusting. Het is in Dwingeloo dat we de eerste fietstocht maken. We staan geparkeerd op een groot terrein, vlak bij een snackbar waar we een tsunami aan kroketten hebben gehaald: kalfskroket, kaaskroket, satékroket en goulashkroket. Na al die tijd in de camper op ons 3-pitskooktoestel gezond te hebben gekookt, nu een keertje lekker ongezond doen.

Vanaf de parkeerplaats fietsen we de Dwingelerdervelden op. De donkere luchten boven de beigebruine gekleurde velden spiegelen in de vele vennen, veentjes én regenplassen, want ook deze keer is er weer behoorlijk veel neerslag in dit gebied. Toch weten we het voormalig Planetron na een rit over de heide droog te bereiken. Na zes jaar leeg te hebben gestaan is het een Toeristisch Huis geworden, en nu uiteraard gesloten. Het is dan ook niet het Planetron dat ons hierheen trok, maar de oude vervallen telescoopschotel ernaast: een prachtig fotografeerobject voor wie houdt van vergankelijkheid, roest en verval.

Met de fietsen weer in de garage rijden we door naar Lhee, dat net als bij het vorige rondje door Nederland onze eerste camperstop wordt. Dat komt, omdat het dicht bij Onna ligt, de locatie van de camperdealer. Er moeten nog een paar kleine dingetjes aan ons huisje worden gerepareerd.

Bij het binnenwandelen van de showroom wacht ons een verrassing, want wie staat daar in alle glorie te pronken; met de schuifdeur wagenwijd open, het hefdak omhoog en de fietsenstandaard uitgeklapt? De oude camperbus! 'Het is toch echt nog steeds een beauty', zeggen we tegen elkaar, terwijl onze vingers liefkozend over de grijze metallic lak strijken.

Onderweg drinken we koffie op een van de verlate parkeerplaatsen van het monumentendorp Orvelte. Normaal super toeristisch en hartstikke druk, nu een oase van rust. We maken een korte wandeling en grinniken om een houten bordje in de berm 'overstekende katten'. Ondertussen krijg ik een appje van onze dochter: ze is net thuis van een dagje Drenthe met haar vriendin. In Havelte is ze geweest, een van de plaatsjes waar we net doorheen zijn gereden. Als ik haar dat schrijf, reageert ze verbijsterd. Op zulke momenten wordt haar ineens akelig duidelijk dat topografische kennis soms goed van pas kan komen...

Ons volgende camperonderkomen ligt niet ver weg: in Wapenveld, een mooie uitvalbasis voor een fietstocht naar Zwolle. Ook hier weer een sympathieke boer die ons de weg wijst naar een droog plekje op het voor de rest met regenwater doordrenkte land. We zijn aan drie zijden omringd door dieren: paarden, pony's, geiten, alpaca's, een hangbuikzwijn en sierduif. Aan de andere kant ligt een meer met doerebouten, de zogenaamde klapsigaren die mijn schoonvader altijd meenam voor zijn kleinkinderen.

De omgeving is werkelijk wonderschoon en heel rustig. De wandeling naar het plaatsje valt dan ook een beetje tegen. Rustgevend wordt saai. Misschien dat er vroeger iets meer reuring was, in de tijd dat de Berghuizer Papierfabriek nog in bedrijf was. Bij de paar winkels die het dorp rijk is, staat het beeld de "Papiermaaker" dat nog aan deze tijd herinnert.

De volgende morgen willen we het gebied per fiets verkennen, want de mooie hoge dijk ligt uitnodigend klaar voor een tochtje naar de Overijsselse hoofdstad én Hanzestad Zwolle. Zover komt het echter niet. Die nacht vriest het stevig. Grasland, bomen en struiken zijn dik berijpt. Op het meertje ligt een laagje ijs en ook de camper heeft een dun ijsjasje aan. De zon laat het landschap glinsteren en zorgt ervoor dat een vliegtuigstreep als een oplichtende komeet naar het meertje wijst. In de lucht gaan zwermen vogels voorbij en is een schim van de maan te zien.

Het is de boer, in als zijn vriendelijkheid, die het paradijs verstoort. 'Sorry,' , zegt hij, 'maar ik moet het water afsluiten, anders bevriezen de leidingen.'

En ja, dan kan een camper nog zo'n luxe, veilige bubbel zijn, maar zonder water begint ook hij niets. We zullen een andere locatie moeten zoeken.

Commentaren: 0

7. Thuiskomen

Warns is de plaats, waar we twaalf jaar een huis hadden. Het is tevens de plek waar de roots van Rienk liggen. Hij komt weliswaar uit Balk, maar zijn ouders, grootouders en diverse ooms en tantes zijn in Warns geboren en opgegroeid. Dit is dan ook de reden dat we tijdens ons 'zwerversbestaan' voor een huisartsenbezoek nog altijd naar Warns gaan en niet naar Koudum, Weidum of Sint-Annaparochie waar we veel korter hebben gewoond. Het voelt hier toch nog steeds een beetje als thuiskomen.

Na een nachtelijke stop tussen de nu nog kale en natte velden bij een tulpenkweker in Slootdorp en een lunch op de Afsluitdijk, komen we vroeg in de middag aan in winderig Warns. Niet zo vreemd dat de wind om de camper heen giert en we de masten van de zeilboten horen fluiten, want het waait eigenlijk bijna altijd in Warns. Naast ons huis was een pad waar de wind - aangevoerd vanuit het IJsselmeer - vrij spel had en het daardoor vaak een bijna onmogelijke opgave was om de daar geparkeerde auto te laden en lossen.

De camperplaats maakt deel uit van een jachthaven en ligt aan het Johan Frisokanaal, dat uitmondt in het IJsselmeer. Warns telt maar liefst vijf jachthavens, waardoor bijna heel varend Nederland en Duitsland dit verder vrij onbeduidend dorpje wel kent. Naast de brug ligt de gemeentehaven met het schip Noardermar die tijdens de donkere maanden 's avonds de lampjes ontsteekt. De verlichte boot is slechts een onderdeel van ons mooie uitzicht daar. We genieten van het hoog opspattende water, de nu nog schaars voorbijkomende bootjes, de lichtjes op het water, het mooi vormgegeven restaurant De Pyramide en - met een beetje geluk - de bloedmooie zonsondergangen.

Deze keer staat er wel een heel stevige wind, eigenlijk meer een storm die drie dagen en nachten voortduurt. Het lijkt er veel op dat we zelf in een boot zitten, zo hard deinen we op en neer. 's Nachts liggen we te schudden in ons bed en tot overmaat van ramp gaat de wind draaien en worden we wakker gehouden door een enorm geklepper, waarvan de oorzaak een tijdje onduidelijk blijft. Bij nadere inspectie blijkt het om het klepje boven de stekkerdoos van het elektriciteitssnoer te gaan.

Overdag maken we lange wandelingen; naar de supermarkt in Stavoren en over Ymedaem naar Molkwerum, in het Fries Molkwar geheten. Dit dorpje, gebouwd op acht eilandjes door water van elkaar gescheiden, wordt ook wel het Venetië van het Noorden genoemd. Verder is Molkwerum beroemd om de Molkwarder Koeke die het midden houdt tussen koek en cake.

Onderweg komen we twee bekenden tegen en op weg naar de huisarts passeren we een huisje waar een heerlijke geur vandaan komt. De vrouw des huizes komt net met een pannetje onder haar arm de deur uit. Ze groet ons vriendelijk en vertelt dat ze soep naar wat oudere mensen in de buurt gaat brengen.

Op haar vraag 'Wonen jullie ook in Warns?', antwoorden wij dat dit inderdaad voor een paar dagen het geval is.

'Och, dat is ook wat, en dan nu met dit weer? Hebben julie wel te eten?', reageert ze zorgelijk als we de situatie hebben uitgelegd. 'Ik heb helaas niet genoeg, anders hadden jullie ook best een pannetje soep van mij mogen hebben, hoor.'

Als dat geen thuiskomen is!

Na Warns rijden we door naar het appartement in Sint Annaparochie met als belangrijkste missie het ophalen van de fietsen zodat we wat mobieler worden. Verder nog wat nepplantjes in een tas doen, zodat het rijdend huisje nog meer als thuis gaat voelen, en dan door naar Lekkum. De camperplaats daar ligt bijna tegen Leeuwarden aan, de stad waar onze dochter woont. Het is redelijk weer, zodat we met open deur en ramen op veilige afstand van elkaar in ons huis op wielen kunnen zitten. Zij heeft de camper nog niet gezien en is natuurlijk super benieuwd. Heerlijk om elkaar na een paar maanden beeldbellen weer eens even in het echt te kunnen zien. De volgende dag gaan we met z'n drietjes het centrum in en bestellen een pizza die we op de trappen van het gerechtsgebouw opeten. Ook dit voelt als thuiskomen: met onze dochter in de stad waar we voorheen heel vaak kwamen.

Als we na drie nachten en twee heerlijke dagen vertrekken, hoeven we maar voor twee nachten te betalen omdat het sanitair nog gesloten is. Met deze tegemoetkoming bovenop alle andere goede ervaringen in Friesland kan ons gevoel van thuiskomen helemaal niet meer stuk.

Commentaren: 0

6. Een gesloten slot

Tot nu toe hebben we alleen camperplaatsen met bossen gehad. En hoe leuk ik bossen ook vind, het wordt nu wel eens tijd voor iets anders. Dat anders vinden we in Gelderland bij Slot Loevestein, helemaal aan het einde van de Schouwendijk in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Daar ligt een groot parkeerterrein met plaats voor vier campers. Helaas allemaal bezet. Jammer, dan alleen maar een lunch op de gewone parkeerplaats met een wandeling en daarna verder zoeken naar een overnachtingsplek.

We hebben de tafel net gedekt als er op de deur wordt geklopt. Het is de eigenaar van de laatste geparkeerde camperbus die zegt 's avonds om half zeven te willen vertrekken. 'Als ik wegga, geef ik wel een seintje, dan kunnen jullie mooi op mijn plekje.' Dat is aardig!

Na het eten dus nog volop tijd voor een wandeling. Eerst maar eens langs het kasteel, beroemd om de ontsnapping van Hugo de Groot in een boekenkist. Het is uiteraard gesloten vanwege corona. Is niet heel erg, want er is genoeg te zien in dit prachtige natuurgebied. We genieten van de immens lange vrachtschepen die voorbij varen. Ze glijden langs de bijna volgelopen uiterwaarden, waar de Schotse hooglanders grazen tussen kale wijduitstaande bomen. Hun lange afgeknapte takken liggen op de drassige grasbodem. Er is zelfs een strandje. Aan de kant van het slot liggen diverse zandbanken, waarop aalscholvers hun gespreide vleugels drogen.

Het pad houdt op. Aan de overzijde ligt Woudrichem, waar je normaal gesproken met een pontje naartoe kunt, maar dat nu uit de vaart is genomen. Een pontificaal opgehangen doorgezaagde gasfles met klepel wacht geduldig op betere tijden. We lopen terug, langs de parkeerplaats en gaan de andere kant op, waar de uiterwaarden bijna helemaal onder water staan. Alleen de bomen houden het van boven droog, hun wortels angstvallig vastgeketend in kleine stukjes land die als eilandjes boven het water uitsteken. Een mooie plek.

Een andere mooie plek is Vijfhuizen, dat we hierna aandoen. Daar ligt langs de N205 het gelijknamige camperpark met een rechtstreekse busverbinding naar Haarlem, Schiphol en Amsterdam. Het is een gigantisch terrein met ruime camperplaatsen van maar liefst vijftig vierkante meter. Eenmaal per jaar doet het veld dienst als parkeerterrein voor bezoekers aan de Expo Haarlemmermeer, het glazen expogebouw dat tijdens de Floriade 2002 werd opgericht en aan de overkant van de weg staat. Nu is het ingericht als coronatestlocatie. Er ligt een groot natuurgebied omheen: de Groene Weelde, waarvan een deel het voormalig Floriadeterrein omvat met de Big Spotters Hill. Deze vierkante heuvel is gemaakt van zand en aarde dat bij de aanleg van sloten en vijvers voor de Floriade is vrijgekomen. De tweeënveertig meter hoge piramide met daarop de Ruimtetempel van kunstenaar Auke de Vries diende als uitzichtpunt. Nu is de heuvel vooral populair voor heuveltrainingen. Ik sta perplex over het gemak en de snelheid waarmee de joggers de trap bedwingen met treden van niet meer dan de breedte van een trottoirband. De Ruimtetempel is inmiddels door storm verwoest en heeft plaats gemaakt voor de Mainport van Lehner en Gunther architecten. Een bouwwerk van vijftien meter hoog met boogvormige openingen op elke windrichting.

De groene Weelde sluit aan op het Haarlemmermeerse bos dat via een brug over de N205 bereikbaar is. Ik loop tot het futuristisch ontworpen restaurant in de vorm van een vliegtuig of een vis met geopende bek. Voor mij kan het allebei. Het restaurant ligt aan een woest kolkende vijver. Een frisse krachtige wind zwiept het water omhoog. Het wordt tijd om terug te gaan naar de camper, want ik heb er inmiddels al een fikse trippel op zitten. Bovendien zit er sneeuw in de lucht.

De aanleg van het park verrast me. Hoewel in dit jaargetijde de natuur nog dood en dor is, zie ik de kleurrijke borders zo voor me. Ik ga over een kronkelig houten pad, dwars door een andere waterpartij heen en zie in de verte een bankje met drie stenen mensen. Een oude man en vrouw. Ze zijn met elkaar in gesprek. Tussen hen in zit een jonger figuur met het hoofd omhoog, genietend van denkbeeldige zonnestralen. De eerste kleine sneeuwvlokjes van het jaar dwarrelen op hen neer. Aangekomen bij het camperpark blijf ik verrast staan. Een uiterst fragiele witte deken spreidt zich uit over het veld. Verspreid staan enkele verlichte kerstbomen. In combinatie met de lichten in de toppen van de hoogspanningsmasten en de lampjes langs de landingsbanen van Schiphol is mijn uitzicht sprookjesachtig en futuristisch tegelijk.

Commentaren: 1
  • #1

    rienk (vrijdag, 07 mei 2021 22:24)

    Wat prachtig verwoord, alsof je er zelf bij bent.

5. Witte kalk en een blog

Het schijnt dat we het witte stadje Thorn, in Limburg, al tweemaal eerder hebben bezocht, maar mij is alleen de eerste keer bijgebleven. We waren twaalfenhalf jaar getrouwd en wilden dat met onze kinderen, vijf en bijna twee jaar oud, een paar dagen in Thorn vieren. Helaas moesten we na één nacht alweer vertrekken. We sliepen in een hotel tegenover de Abdijkerk die hoog boven de witte huisjes uittorent. De jongste, normaliter de rustigste van de twee, had de hele nacht gehuild en geschreeuwd, en dat terwijl ze toch gewoon in een eigen campingbedje lag met haar vertrouwde knuffel en spuugdoekje. Het ontbijt de volgende ochtend voelde niet goed aan. De mensen keken ons boos en geërgerd aan, maar het meest boos was toch wel onze oudste die niet kon begrijpen dat het beter was als we terug naar huis gingen. Hij had zich zo op het uitje verheugd en helemaal niets gehoord van de herrie die zijn zusje maakte.

Nu slapen we op een van de drie camperparkeerplaatsen aan de rand van het stadje met aan de ene kant het zicht op de kerk en aan de andere kant op kasteelhoeve De grote Hegge.

Thorn staat dus vooral bekend om de markant witgeschilderde huizen, plus de monumentale panden en de authentieke geplaveide straatjes. Het stadje was achthonderd jaar een mini-vorstendom; een staatje met een eigen rechtspraak en munt. Hieraan kwam in 1794 een einde met de komst van de Fransen die een belasting invoerden op basis van de omvang van de ramen. Meer ramen in het huis betekende een hogere belasting. Voor wie dit niet kon betalen, metselde de ramen dicht. Die dichtgemetselde ramen worden ook wel de littekens van de armoede genoemd en om dit te verbloemen kalkte men de huizen wit. Een mooi verhaal...

Er is een bosachtig paadje tussen de parkeerplaats en de kasteelhoeve in. Zo loop je, voordat je in het centrum terechtkomt, om het plaatsje heen. In de kern aangekomen, blijven we staan voor het hotel, waar we achtentwintig jaar geleden logeerden. De uitbater van het ernaast gelegen restaurant veegt zijn stoepje schoon. We raken met hem aan de praat. Uiteraard is het ook voor hem in coronatijd geen vetpot. Hij hoopt met het to-go-tentje voor de deur zijn financiën enigszins bij te spijkeren, maar voorlopig is het buiten bitterkoud en heeft hij weinig klandizie. We lopen verder, langs de kerk en het kerkhof en komen op een plein, waar het op 13 januari met de grote kerstboom in het midden nog steeds feestelijk aandoet. Daarna vervolgen we onze weg via buitenpaadjes door bossen en over velden. Niet alleen Thorn zelf is heel mooi, maar de omgeving ook. Een boerderij met een open mesthoop tussen betonnen muren doet me denken aan Noord-Italie, waar we goede herinneringen aan hebben. We passeren een paar huisjes waar, afgezien van wat kalkrestanten, het wit vanaf is. Hopelijk blijft het bij deze twee woninkjes, anders zou Thorn zijn charme verliezen.

Twee dagen later verruilen we Limburg voor Brabant en doen we Vessem aan. Ook hier een nieuwe camperplaats. Veel boeren zagen het afgelopen jaar hun kans schoon hun land op deze manier als een nieuwe bron van inkomsten in te zetten. Er zijn meer camperaars dan ooit en iedereen leeft in zijn eigen bubbel. Hoe kun je de coronacrisis veiliger en plezieriger doorkomen? Een aantal van hen houdt een vlog bij. Rienk pusht mij dit ook te gaan doen, maar ik zie niet goed wat ik daaraan zou kunnen toevoegen. Ik vind de filmpjes op YouTube veel van hetzelfde. Een blog past me beter. Zit ook minder druk achter en is makkelijker uitvoerbaar, zeker wanneer we op plekken zonder elektriciteit staan en we dus zuinig moeten omgaan met de stroom en de laptop gesloten blijft.

Ook in Vessem kijken we uit over velden omzoomd door bossen en staat er een met kerstaccessoires gedecoreerd informatiehokje. De ontvangst is allerhartelijkst en omdat het woensdag is, krijgen we gratis soep. Een wasmachine met droger behoren nog niet tot de faciliteiten. Hiervoor moeten we naar Veldhoven, naar een tankstation vlak naast een landingsbaan. Daar staat een soort bushokje met twee machines, één voor acht kilo en één voor achttien kilo textiel, respectievelijk voor vier en acht euro te gebruiken, inclusief wasmiddel. De droger kost twee euro, maar dat is nep. Ik moet hem zeker drie keer laten draaien en dan nog is de was vochtig. Verder mis ik de lekkere frisse zeepgeur die toch kenmerkend is voor een schone was. Maar ik klaag niet. Stiekem vind ik het wel wat hebben als ik met mijn gewassen kleren door de striemende regen naar de camper loop, terwijl twee vliegtuigjes laag over me heen scheren.

Commentaren: 2
  • #2

    Ellie Schmitz (maandag, 03 mei 2021 19:11)

    OntZettend leuk dit te lezen, ook omdat ik alle plekjes ken die je beschrijft. Wat moet het toch heerlijk zijn zo’n vrijheid te hebben en het atelier bij de hand!

  • #1

    Sophie (maandag, 03 mei 2021 17:09)

    Heerlijk om jullie zo te volgen. Slow living zou mij ook wel passen.

4. Hondje in Limburg

Limburg blijkt niet de makkelijkste provincie te zijn om een camperplaats te vinden. Er zijn wel heel veel duurdere campings met tal van extra voorzieningen, maar dat is niet wat wij zoeken. Bovendien zijn de meeste in het winterseizoen gesloten. Uiteraard zijn er de camperapps en Google Maps voor het vinden van een geschikt plekje, maar ook die leveren vaak niet het bevredigende resultaat op. Toch lijken we na lang zoeken een leuk plekje bij een boer vlak bij Milsbeek te hebben gevonden. Het is nog wel een uitdaging om er te komen via de smalle weggetjes, die soms meer weg hebben van een fietspad dan van een autoweg. Halverwege zo'n fietspadachtige weg - een hoge dijk - ligt de eindbestemming. We rijden de steile helling af, het boerenerf op, met aan het einde een hek met een piepklein bordje 'Gesloten'. "Misschien een foutje", opper ik voorzichtig, terwijl ik naar het openstaande hek wijs. "Wellicht zijn ze het bordje vergeten weg te halen."

Afgaand op de rood aanlopende boer die plotseling uit het niets geïrriteerd komt aangerend, neem ik mijn woorden direct terug. "Kunt u niet lezen?", blaft hij ons agressief toe.

Blijkbaar zijn niet alle boeren met een camperplaats zo vriendelijk als we toe nu toe gewend zijn.

Eenmaal weer op de grote weg, vind ik via de app een nieuwe locatie. Hopelijk is die wel open, want het wordt al bijna donker en het is nog een uur rijden. Dan duikt in de schemer een bordje op met 'camperplaats'. We rijden om Milsbeek heen, en komen uit bij een drassig grasveld naast een eethuis. Met het risico dat we in de modder vast komen te zitten, besluiten we het er op te wagen.

Een goed besluit. Tegen een zeer laag tarief staan we helemaal vrij met een geweldig mooi uitzicht over groene velden en bossen. En met het restaurant naast ons, zijn we ook nog eens verzekerd van soep met pannenkoeken. Niet dat we er gebruik van maken, want de koelkast puilt uit van de boodschappen die we onderweg hebben gehaald. Als we dat eerder hadden geweten...

Naast het camperveld loopt een kronkelig pad, met aan één kant het begin van de bossen: het Duitse Reichswald. De weg vormt de grens met Duitsland. Je kunt er heerlijk wandelen, zo vredig. Het enige dat je hoort zijn vogels. We komen helemaal tot rust na de stressachtige zoektocht van de dag ervoor. We lopen door tot de afgravingen met in de verte de waterpoelen waar honderdtallen vogels bivakkeren. Vooral ganzen, zo te zien.

Na de wandeling duiken we verder Limburg in. Het doel is Helden, een plaatsje dat tegen Panningen aan leunt. Beide plaatsen liggen midden in de aspergestreek. Ook de camperplaats biedt uitzicht op een aspergeveld. In het groeiseizoen houdt de boer er rondleidingen en in het kleine winkeltje bij huis zijn het hele jaar door allerlei aspergeproducten verkrijgbaar.

Langzaam aan wordt het kouder, 's ochtends liggen de velden onder de rijp. Een stemmig contrast met de gezellige nog steeds aanwezige kerstversiering die juist warmte uitstraalt. Vooral het houten informatiehokje, dat door de verlichte ster veel weg heeft van een stal, doet knus aan. Het zijn aardige mensen waar we logeren. Ze zijn nog maar een paar maanden geleden gestart en hebben hart voor de zaak. Dat zie je aan de manier waarop ze het camperveld hebben ingericht. Super netjes en verzorgd. Helaas zit een burenruzie hen wat in de weg, waardoor de toekomstplannen voorlopig in de koelkast zijn geparkeerd. Maar het komt goed, zo lezen we drie maanden later. De aspergeboer mag met zijn campergebeuren uitbreiden.

Tijdens ons verblijf lopen we een paar keer door de Heldense bossen naar Helden en Panningen. Soms doen we een uitstapje met de camper, zoals naar Neer dat langs de Maas ligt en waar je via een hoge dijk naar de boulevard wandelt met uitzicht op immens lange vrachtschepen die voorbijgaan. Er is ook een klein haventje waar onder andere wordt gewerkt aan de herinrichting van een camperplaats. Andere uitstapjes zijn Roermond en Vlodrop, waar we per ongeluk de Duitse grens overschrijden. Gelukkig kunnen we direct keren op een van de drukke parkeerplaatsen met fruitstalletjes. In Roermond zijn de parkeerterreinen bij de Designer Outlet vanwege corona gesloten. Jammer, want dat was een handige plek geweest om het centrum te verkennen. We wijken uit naar de bouwmarkttereinen, drinken koffie in de camper en komen er al googlend achter dat het daarvandaan nog een behoorlijk stuk lopen is naar de stad. Ernaartoe fietsen zou een goede optie zijn geweest, maar de tweewielers staan nog in St.-Annaparochie...

Daarom de volgende dag toch maar weer een wandeling rond Helden. Dit keer kiezen we voor een andere kant; die van de Onderse Schans. Deze heeft de lokale bevolking in 1644 gebouwd als vluchtplaats tijdens de 80-jarige oorlog. We worden op onze tocht vergezeld door een klein zwart-wit hondje met lichtbruine oortjes en pientere donkere oogjes, dat ons blijft volgen hoe we ook proberen hem terug te sturen naar zijn huis, dat zich vlak bij de camperplaats moet bevinden. Het hondje heeft heel andere plannen en rent blij kwispelend voor ons uit, zich nauwelijks bewust van het verkeer dat voorbij raast. Het springt van de rechter- naar de linkerkant van de weg en weer terug. Automobilisten toeteren om het hardst en kijken ons verwijtend aan, maar wij krijgen geen vat op het beestje. Ten einde raad slaan we een drassig pad in waar geen verkeer is en het een stuk rustiger wandelen is. Het maakt het hondje niets uit. Dat blijft ons enthousiast volgen. Het doet me denken aan het hondje dat we in Pompeii tegenkwamen en waarover ik een gedicht met tekening heb gemaakt.

Dan valt Rienks oog op een penning rond zijn nekje. Er staat een telefoonnummer op, dat ik bel. Een wat bruuske stem vraagt wat er is. Terwijl het hondje tegen mij opspringt, leg ik hem de situatie uit. De man is niet onder de indruk.

"Maar weet hij de weg naar huis wel? We zijn al best een eindje weg. En hij heeft al helemaal geen benul van het verkeer. Dadelijk rijden ze hem dood", probeer ik hem van de ernst van de situatie te overtuigen.

"Nee hoor, niets aan de hand. Hij loopt met Jan en alleman mee en komt altijd weer ongehavend terug. En nu moet ik verder." Met mijn smartphone in de hand kijk ik Rienk verbouwereerd aan: "Verbinding verbroken."

Uiteindelijk bereiken we alle drie ongedeerd de camper. Daarna hebben we het hondje nooit meer teruggezien. De dag erop niet en ook de twee andere keren dat we deze camperplaats aandoen, niet. 

Commentaren: 0

3. Verdwaald rond de jaarwisseling

Het eerste dat opvalt als we de camperplaats in Rijssen komen opgereden, is het vele asfalt en de opstelling van de campers in een binnen- en buitencirkel. Tussen de campers liggen biljartgroene kunstgrasmatten die aan vilt doen denken, waarschijnlijk ter vervanging van echt gras. De aangebrachte kerstversiering verwarmt de enigszins kil aandoende entourage, net als de uitgestrekte bossen die het perceel beschermend omarmen.

Het is natuurlijk pas onze derde camperplaats, maar we hebben al direct door dat hier iets bijzonders aan de hand is. De merkwaardige indeling en aankleding van het terrein hebben alles te maken met de antislipschool die hier voorheen zat, zo krijgen wij later van een voorbijganger te horen. Bij nadere inspectie blijkt het camperterrein veel meer te bieden te hebben dan de gebruikelijke voorzieningen van vuilnisbak, cassettetoiletreiniging en waterinname en -lozing. Zo zijn er een hondenuitlaatplaats in het bijbehorende stukje bos, een sauna, een lounge, twee wasmachines, een droger en een prachtige douchegelegenheid compleet met stortdouche en verwarmde vloer, waar een hotel nog een puntje aan zou kunnen zuigen.

Na dit allemaal te hebben verkend, wordt het tijd voor het grotere werk. We trekken de bossen in. Het loopt al tegen vieren en over een uur zal het woud zich in het donkerste donker hebben gehuld. Meer dan een klein wandelingetje zit er dus niet in. Een smartphone voor de GPS lijkt om die reden overbodig; op zo'n kleine trip is het immers onmogelijk om de weg kwijt te raken. Bovendien wordt het bos op meerdere plaatsen doorkruist door een verharde weg, dat als herkenningspunt kan dienen. Datzelfde geldt voor de roestige rails in het bosgebied, een overblijfsel van de smalspoorlijnen waarover vroeger klei van de groeve naar de steenfabrieken werd vervoerd.

Toch weten wij er te verdwalen. Het is niet de Markeloseweg waar wij uitkomen maar de Enterweg. We houden een van de spaarzame wandelaars met hond aan die ons hiervan op de hoogte stelt en - hoe aardig - voorstelt om ons met de auto naar de camperplaats te brengen. Volgens haar de beste optie, omdat de korte weg door het bos in het duister geen optie is en de autoweg eromheen veel te lang. We slaan het genereuze aanbod af. Afgezien van het feit dat we niemand tot last willen zijn, schrikt het vooruitzicht om in coronatijd met z'n drieen in een auto te zitten af. We kiezen voor de lange route, waar we opnieuw de weg dreigen kwijt te raken. Wederom staat het geluk aan onze kant en treffen we alweer een wandelaar die zijn viervoeter uitlaat. Ook hij geeft ons de keuze tussen twee mogelijkheden: een lange veilige weg of een kortere onverlichte route met de kans van de sokken te worden gereden. Inmiddels koud, moe en hongerig geworden is de keuze voor de tweede variant niet zo moelijk.

Het is een drukke smalle weg, waarbij we telkens bij het passeren van een auto de berm inspringen. Hoe dichter bij de camperplaats hoe romantischer het wordt, hoewel je dit in deze omstandigheden misschien moeilijk kunt voorstellen. Maar de volle maan, de verlichte huizen tussen de bomen en de lichtjes in de kerstbomen maken veel goed.

Bij aankomst treffen we de camperbaas die enorm moet lachen bij het horen van ons avontuur. Hij nodigt ons gelijk uit voor de volgende avond: oudjaarsavond. 'Het wordt een gezellig samenzijn buiten, met oliebollen, warme chocolademelk en glühwein. We steken de vuurkorven aan en, als het weer het toelaat, spelen mijn vrouw en ik op de midwinterhoorn.'

Dat klinkt aanlokkelijk en dat is het ook, blijkt de volgende avond. Het weer zit mee, het vuur is aangestoken, de muziek klinkt prachtig en de maan schijnt vol tussen de bomen.

'Het lijkt wel een sprookje', fluister ik naar Rienk.

Het aftellen begint. Middernacht. Een nieuw jaar begint. Er wordt gelachen en gekust; het glas geheven. In groepjes van twee. De angst voor corona blijft.

In de verte knalt het en schieten de vuurpijlen en ander vuurwerk omhoog en kleuren de lucht rood, groen, blauw, zilver en goud. 'Ik dacht dat er een vuurwerkverbod was,' zegt Rienk, 'maar hoe het ook is, het is een prachtig gezicht.'

We lopen terug naar onze camper. We hebben alle lichten aan gelaten en op het tv-scherm een haardvuur ontstoken om zo het nieuwe jaar welkom te heten. Net zoals de meeste andere campers die zich van hun lichtste kant laten zien. Met elkaar vormen we twee aaneengesloten cirkels van licht. Dit alles zorgt ervoor dat we kunnen terugkijken op een heel bijzondere jaarwisseling die we niet snel zullen vergeten.

Traditiegetrouw op Nieuwjaarsdag maken we een wandeling; deze keer naar het dorp Rijssen. Het voelt als een domper. Alleen lege straten. Geen mens te bekennen. Zelfs de lampjes in de grote kerstboom zijn uit. De enige 'attractie' is een stenen beeld van een boer met pet en klompen die een mondkapje is voor gedaan. Er zijn blijkbaar eerder toch mensen op de been geweest. 

Commentaren: 0

2. Croissantjes en paddenstoelen

Het is Kerstochtend, rond een uur of tien, als er op de deur van de camper wordt gebonsd: de boer, druipend in de regen, met twee warme croissantjes. Precies op tijd, alsof het is afgesproken. Ons ontbijt staat klaar, de koffie en thee ingeschonken. We zouden net aanschuiven. Het enige waar het aan ontbreekt zijn croissantjes...

Het is een van de prettige herinneringen die we hebben aan de camperplaats in Lhee met een mooi uitzicht op een klein meertje. Een heen-en-weer zwabberende kerstboom van draad en lampjes weerspiegelt in het water. Om ons heen de andere camperaars, de een met een nog mooier versierde camper dan de ander. Slingers,minikerstboompjes, knipperende lampjes, verlichte sneeuwpoppen, spiegelhoesjes; alles blinkt ons tegemoet. Er is zelfs een camper die een complete slideshow afspeelt op de witte lak van zijn onderkomen. Die is van een artiest, een zanger die normaliter zijn geld verdient met het zingen van smartlappen aan de Spaanse kust. Vanwege corona zit hij noodgedwongen thuis, oftewel in zijn camper, en schrijft daar nieuwe songs. Net als ik eigenlijk. Alleen maak ik tekeningen, over het verloop van de coronacrisis.

Tussen de buien door lopen we langs kale bruine en vooral natte velden naar het nabij gelegen Dwingeloo. Met de vele verlichte kerstbomen en kerststal op het groene plein een oase in alle grauwheid. Aan dit plein ligt ook een supermarkt, waar we onze boodschappen doen. Vanaf de camperplaats is het twee kilometer heen, twee kilometer terug. Net ver genoeg om ook de terugweg, bepakt met zware tassen, als een aardig wandelingetje te kunnen omschrijven. Totdat op een dag de weersomstandigheden dit niet meer toelaten. Honderd procent regen geeft de buienradar aan. We besluiten de boodschappen te laten bezorgen en vullen op internet een behoorlijk lange lijst in, om zo de extra bezorgkosten te omzeilen. Bij het afrekenmoment barsten we in lachen uit: de bestelling kan niet eerder worden afgeleverd dan acht dagen later! Er zijn kennelijk meer mensen die op dit idee zijn gekomen.

Na een week verlaten we Lhee. We zijn inmiddels al aardig gewend aan de nieuwe leefomstandigheden en hebben de meeste camperknopjes en functies onder controle. En ook de omgeving met de Dwingeldervelder bossen en heide is al een beetje bekend terrein. We hebben zelfs de grote radiotelescoop gezien, met als souvenir twee grote ophalen in mijn nette zwarte broek toen ik achter het prikkeldraad bleef hangen.

We gaan naar Haarle, dat net als Lhee en Dwingeloo in een bosrijke omgeving ligt. De zon schijnt zowaar als we aankomen, zodat we helemaal droog het welkomstpraatje kunnen aangaan met alweer een aardige boer. De nieuwe camperplaats oogt gemoedelijk. We horen de koeien in de stal en voor ons ligt een grote groene weide met daar omheen het bos. Neergezette paddenstoelen met egels wijzen de weg naar een pad dat leidt naar een vakantiepark, waar een bescheiden supermarktje is ondergebracht. Hier mogen de camperaars ook gebruik van maken. We volgen de paddenstoelen maar het pad is ons te drassig en we nemen een ander, breder en beter begaanbaar pad. Het is druk in het bos met heel veel bikers. De andere kant oogt lieflijker, maar de doorkruising van een spoorwegovergang en autoweg maken het bos toch iets minder idyllisch dan voorzien. 

De camperplaats blijft top. 's Nachts is het stil en aardedonker en gek genoeg zijn het – met de jaarwisseling in het vooruitzicht – de stilte en de donkerte die ons afschrikken. Iets meer reuring is gewenst. We struinen internet af en vinden een camperplaats in Rijssen die leuke dingen in petto heeft. Oliebollen met glühwein, vuurkorven en een optreden met midwinterhoorns. Alle drie de aspecten weten ons te verleiden. We starten de motor en gaan op pad. Op naar de derde camperplaats!

Commentaren: 0

1. Bubbel

Het is niet de mooiste dag, waarop wij onze nieuwe camper mogen ophalen in Onna. 21 december 2020, de kortste dag in het jaar en midden in de coronacrisis. Het plan is om meteen vanuit de dealer naar een camperplaats in de buurt te rijden. Veel bagage meenemen is dus een vereiste, want we weten niet hoe lang ons eerste reisje door Nederland gaat duren.

Terwijl wij de zware tassen stapelen op het karretje, dat altijd in de gemeenschappelijke tuin van ons appartement in Sint Annaparochie voor zulke situaties klaarstaat, horen we dat onze overbuurman die nacht is overleden. Zo'n bericht doet de opwindende reiskoorts natuurlijk gelijk een aantal graden dalen. Na een praatje met de conciërge en de ergste schrik te boven, stouwen we alle spullen in de camperbus. Met weemoed, want die heeft ons toch wel mooi zes jaar lang door Europa vervoerd; van oost naar west, van noord naar zuid.

Onderweg verruilen we een zonnig Friesland voor een zonnig Drenthe. De dealer heeft de koffie klaar en met hem mijmeren we over alle mogelijkheden die ons staan te wachten. Niet te lang, want er is werk aan de winkel. Een rondleiding van maar liefst anderhalf uur door en om ons nieuwe huisje van 7.40 meter lang, 2.30 meter breed en 3.10 meter hoog: een grote 'witte koelkast' met een luxe hotelinrichting. Niet direct de droom die we voor ogen hadden, maar veel anders is er niet op campergebied, zeker niet als je er een beetje comfortabel in wilt toiletteren en douchen. De gezelligheid moeten we er zelf in brengen.

Nooit geweten dat er zo veel te vertellen valt over het gebruik van een camper. Bij elk luikje - of het nu over schoon of vuil water, het cassettetoilet, de brandstof of de gasflessen gaat - staan we zeker vijf minuten stil. En elke luikje heeft een slot. Binnen is het al niet veel beter. Een controlepaneel voor water en elektriciteit, een omvormer, een kastje voor de instelling van boiler, kachel, gas- en elektriciteitsverbruik, temperatuur en ventilator, de bediening van de televisie, de schotel... Vakjes op de vloer met daaronder laadruimtes, accu's, watertanks, de kachel. Een inklapbaar trapje, een stuur met met meer dan tien knopjes, de boordcomputer met navigatie en radio. Ik weet zeker dat ik wat vergeet. Kortom, het duizelt ons compleet als we de spullen uit de camperbus overladen naar de garage van het nieuwe onderkomen. Ook zoiets, waarover ik me verbaas: de relatief kleine laadruimte achterin die aan twee zijden kan worden geopend en onder meer bedoeld is voor het stallen van de fietsen, heet garage!

En daar staan we dan. Klaar voor een nieuwe episode in ons leven die wordt vereeuwigd door de dealer. Hij maakt er een klein feestje van. We krijgen bloemen en een fles wijn. Tot slot de betaling die de hele middag niet van de grond wil komen. Banken worstelen met storingen en wij worstelen mee. Net als het voorzichtig begint te druppelen, krijgen we contact en kan ons avontuur echt beginnen.

Uitgezwaaid door de dealer rijden we weg. De regendruppels hebben zich vermenigvuldigd en stromen in grote getale naar beneden. Rienk rijdt. Op de proefrit na de eerste keer dat we zo'n grote bak besturen. Doodeng. Het begint al te schemeren, de straten glimmen en we zweten al bij het zien van een tegenligger. De bediening van de boordcomputer blijkt een te grote uitdaging. Met de smartphone op mijn knieën schreeuw ik de wegaanwijzingen boven het geluid van de motor en de regen uit. Na een goed halfuur bereiken we de camperplaats in Lhee, nog maar een halfjaar in gebruik. Voordat we een plekje opzoeken, halen we water. 180 liter. Kunnen we voorlopig mee vooruit.

Een diepe zucht en een gevecht met de 'bearlock' verder, geven we elkaar een high five. De eerste hobbel is genomen. Het inrichten van de kastjes kan beginnen. In de stromende regen en soppend in de modderpoel die door het alsmaar vallende water is ontstaan, slepen we de belangrijkste zaken naar het 'voorhuis'. Daarna is het tijd voor de avondmaaltijd. Brood dit keer, want veel puf hebben we niet meer. Na een kort televisieavondje zoeken we ons bed op. Een Kingsize met schoteltjes. Koninklijk lekker. Moe en voldaan luisteren we naar het tikken van de regen. Wen er maar vast aan, schiet het door me heen. Voor de komende week is geen ander weer voorspeld. Maar dat geeft niets. Wij zijn beschermd, tegen regen én corona. Wij hebben onze bubbel gevonden.   

Commentaren: 1
  • #1

    Jacqueline (dinsdag, 25 mei 2021 13:41)

    Wat een stoere beslissing zo'n bubbel te maken heel veel geluk samen!