Camperblog SLOW LIVING

14. Onthaasten

Onthaasten hoort bij de levensvorm die we hebben gekozen. Niet voor niets hebben we deze reisblog 'Slow Living' genoemd. Helaas is niet elke locatie even geschikt als onthaastingsverblijf, maar nu hebben we twee adresjes, dicht bij elkaar in Limburg, die over alle kenmerken beschikken, en dan ga je vanzelf ook anders tegen bepaalde dingen aankijken, zoals bijvoorbeeld tegen mijn haar. Bij ons vertrek op 21 december 2020 was dat lang en felrood. Ik verfde het elke zes weken. Dat is in de camper natuurlijk niet echt handig, dus zal ik voor een verfbeurt voortaan moeten uitwijken naar openbare sanitaire gelegenheden en dat is nu net iets wat we willen vermijden. Het gevolg is dat ik nu bijna drie maanden met een behoorlijk grijze uitgroei rondloop. Rienk vindt het charmant staan; ik moet eraan wennen en onze dochter schrikt als ik haar vertel dat ze straks een andere moeder krijgt te zien: geen langharige rode, maar een veel korter geknipte grijze.

Het eerste onthaastingsplekje ligt in het buitengebied van Lottum, het "Rozendorp van Nederland". Ieder even jaar vindt in Lottum rond de tweede zondag van augustus het Rozenfestival plaats. Er zijn dan tuinen met mozaïeken en kunstobjecten versierd met ontelbare rozenknopjes door heel Lottum te vinden en er is een rozenfietsroute. Voor ons - in maart - blijven de rozen verborgen.

De kennismaking met de eigenaars van de camperplaats verloopt heel ontspannen en gezellig. Zij waren het onthaasten juist beu en hadden het luie leven in een huis met zwembad aan een van de Spaanse Costa's nog niet zo lang geleden ingeruild voor een drukker bestaan. Al pratende komen we van het een op het ander en dan blijkt dat ze jarenlang in Vlist hebben gewoond, een paar kilometer vanaf ons huis in Stolwijk. De vrouw heeft gewerkt bij hetzelfde bedrijf als Rienk, alleen wat jaren later. Haar baas was een collega en tevens vriend van Rienk. Soms is de wereld wel heel erg klein.

Ze hebben een mooie wandeling voor ons in petto. Eerst door het bos met heel veel omgewaaide boomstammen, begroeid met een bijna fluoriserende mossoort, en met stapels omgekapte stammen langs de kant van de paden, klaar voor transport naar de houtverwerkingsbedrijven.

Het bos komt uit bij een spoor, dat we een stukje volgen. Na een tijdje slaan we af en passeren een schattig Hans-en-Grietje-huisje, waar een man de houtstapels inspecteert. Hij vertelt dat de houtkap in dit gebied gigantisch is: "Alles voor het natuurbehoud. De grond is drassig en het grondwaterpeil hoog door de soms tot ver over de oevers uitdijende Maas. Bossen van elzen, berken en populieren wisselen elkaar af met schrale graslanden. Door ingrijpen van de mens blijft het landschap onveranderd, in ieder geval net als toen in 1394 Kasteel Kaldenbroek werd gebouwd, dat meer weg heeft van een oud landhuis dan van een kasteel."

Er zijn veel tuinkwekers in dit gebied. Boerenweggetjes meanderen tussen de coniferen en de aspergevelden.

Slechts een paar kilometer vanaf Lottum ligt Grubbenvorst; de woonplaats van een collega-kunstschilder, -schrijver en -reiziger met wie ik op Facebook regelmatig contact heb. Een van de leuke dingen van sociale media vind ik, dat het aantal reacties van vrienden toeneemt naarmate je hun woonplaats nadert. Dan vertellen ze allerlei wetenswaardigheden en sommigen stellen zelfs een ontmoeting voor.

In Grubbenvorst krijgen we de eigenaars van de camperplaats niet te zien. Alles gaat anoniem: betalingen en inschrijvingen via een envelop en informatie via folders in een informatiehuisje. Eigenlijk zoals bij de meeste camperplaatsen. Vaak komt de eigenaar dan nog wel langs voor een gezellig praatje, maar hier dus niet. Zelfs de gratis eitjes worden vroeg in de ochtend ongezien in een mandje neergelegd.

We kijken over een verdord veld zo de bossen in. Naar akelig dunne bomen die wiegen op de wind en knakken in de storm die steeds meer aanwakkert. Alles beweegt, net als op het camperterrein de witte torso met rond gat dat ik aanzie voor een moederschoot. Als de storm iets in kracht heeft ingeboet, wagen wij ons naar buiten en wandelen onder krakende en woest heen en weer zwiepende takken door. Af en toe moeten we over omgewaaide en ontwortelde bomen heen stappen. Het zand van de kluit waait ons in de ogen. Een stukje verderop liggen de vlakke velden, waar complete zandverstuivingen zijn. Uiteindelijk komen we bij het huisje aan de spoorlijn en keren om, terug naar de camper waar het onthaastingsproces zich in de razende stilte van het gebied voortzet.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie Dijkgraaff (maandag, 14 juni 2021 17:10)

    Altijd leuk om jullie avonturen te lezen!

13. Schepen en souvenirs

Net als een paar jaar geleden in de galerie, doen we nu onderweg heel verrassende contacten op. Zo ook op de camperplaats in Druten, pal aan de Waal. We hebben ondertussen best al wat plekjes gezien met heel grote, lange en hoge schepen, maar hier is het net een stukje imposanter. Vaak zitten de boten met z'n tweeën aan elkaar vast en vervoeren ze vooral aarde en kiezel. Er zijn er ook die met z'n drieën tegelijk gaan en worden voortgeduwd door een vierde boot. Zij transporteren zwartere en grovere hopen; waarschijnlijk steenkool. En dan varen er nog schepen voorbij met containers, drie tot vier hoog opgestapeld. Het meest indrukwekkendst van alle vrachtverkeer vind ik het uit twee delen bestaande transport van personenauto's, ondergebracht in ijzeren kooien die ons huisje zelfs voor een paar minuten een beetje verduistert.

Als we het terrein op komen rijden is er nog maar één plekje over; helaas net niet passend. Dan komt de meedenkende collega-camperaar om de hoek kijken. Breed lachend wijst hij naar een plaats schuin achter hem: "Als u hier eens gaat staan, dan hebt u aan twee kanten water. Past precies en hebt u ook nog eens veel mooier uitzicht."

Het lijkt een aantrekkelijk en voor de hand liggend voorstel, maar voor deze plaats hebben wij een verlengstekker nodig om de twee meegenomen elektriciteitskabels aan elkaar te koppelen, en laten we die nu net nog niet hebben.

"Oh, da's geen probleem, hoor" en weg is onze man. De hoek om naar de andere kant van zijn camper, waar hij wat scharrelt in zijn gereedschapskist. Met een rood hoofd komt hij even later omhoog en houdt het ontbrekende onderdeel triomfantelijk in de de hoogte. "Kijk eens, wat ik heb. Die mag je wel lenen tot morgenmiddag, want dan vertrekken we pas."

Het is een mooi aanknopingspunt voor verdere conversatie over permanent camperen. Wij doen nu wat zij ooit willen en wisselen onderling adressen van leuke plekjes uit, zoals de Stadscamping in Deventer, waar wij in mei terechtkomen. De ochtend erop is er een hartelijk afscheid, WhatsApp-adressen worden uitgewisseld en sindsdien contacten we af en toe over elkaars wel en wee.

's Middags fietsen we over een voor gemotoriseerd verkeer verboden lange, hoge dijk naar een bouwmarkt op afspraak in Beneden-Leeuwen voor een eigen verlengstekker, zodat we nog een nachtje kunnen blijven op 'onze' pier aan de Waal. Het grappige van deze camperplaats is dat het sanitair in een boot is ondergebracht, evenals een (nu nog gesloten) restaurant. 's Avonds is de boot feestelijk verlicht. Een schril contrast met de vrachtschepen die 's nachts bijna onverlicht doorvaren.

Op de volgende camperplaats, in Oirschot, boeten we qua levendigheid in, hoewel het daar ook beslist niet verkeerd staat met eveneens uitzicht op water: het Wilhelminakanaal. Weliswaar een stuk smaller dan de Waal en afgeschermd door een bospad, maar er vaart af en toe toch een behoorlijk formaat boot voorbij.

Het is nog wel even een toer om op de camperplaats te komen over de smalle groene Miekoeksebrug. Het verhaal gaat dat deze brug zijn naam te danken heeft aan Mietje Koek die met haar ouders vanuit het oosten van het land naar Oirschot verhuisde. Tijdens de aanleg van het Wilhelminakanaal woonde Mietje in de buurt en schonk zij af en toe een kopje koffie of borreltje in voor passanten. Met de komst van de brug moest Mietje verhuizen en als eerbetoon werd de brug naar haar vernoemd. Een eindje verderop, recht tegenover het centrum, ligt een andere markante brug. De Stönner-Meijwaardbrug, bedoeld voor fietsers en wandelaars en genoemd naar twee gesneuvelde soldaten in de Tweede Wereldoorlog. Spiksplinternieuw. Een goede maand later zal hij officieel online worden geopend.

Oirschot is een prachtige plaats met meer dan driehonderd rijks- en gemeentelijke monumenten; het dorpsgezicht is beschermd. De Sint-Petrusbasiliek vult het plein met daaromheen tal van mooie huizen, winkels en horeca. Op het moment dat ik foto's schiet van de basiliek, komt een man uit de kerk en biedt ons een rondleiding aan. In eerste instantie denken we dat het om de pastor of een andere geestelijke gaat, maar daar blijkt niets van waar. Het is een gewone burger uit op een praatje die er niet voor schuwt tijdens ons gesprek zijn eigen huis, recht tegenover de kerk, in vol ornaat te omschrijven. Wij slaan zijn aanbod af en achteraf gezien is dat jammer. Te laat komen we erachter dat Odulphus de meest bekende inwoner van Oirschot is. Hij hield opstandige Friezen in toom, bestuurde een gebied van Friesland tot Vlaanderen en werd na zijn leven als heilige vereerd. In de Sint-Petruskerk is een speciaal Odulphusaltaar uit circa 1890, waarop zijn leven wordt afgebeeld. In plaats van ons in deze geschiedenis te verdiepen zijn wij nu meer uit op triviale zaken en willen een souvenir kopen om de camper op te fleuren. Het plan was om uit elke interessante plaats die we aandoen iets leuks mee te nemen als aandenken, maar dat is niet makkelijk in coronatijd. Toch weet ik twee takken met kunstbloemen en een lief houten schaapje met een dot wol op de plek van zijn lijfje te bemachtigen, ter ere aan de naderende Pasen en het voorjaar.

Na de grootste houten stoel van Europa, in 1958 neergezet als eerbewijs aan het vakmanschap van de Oirschotse meubelindustrie, te hebben gezien, keren we terug naar de camperplaats. Hier is het een drukte van belang. Niet alleen de camperaars zelf zitten buiten, maar ook hun familie, vrienden en kennissen die ze hebben uitgenodigd. Camperplaatsen zijn gewilde ontmoetingscentra geworden, waarbij kou manhaftig wordt getrotseerd. Tegenover ons staan twee campers uit dezelfde Rotterdamse straat. Buren zonder tuin die elkaar eindelijk weer eens spreken. Wij zijn te ver weg om bekenden uit te nodigen en zoeken de warmte van de camper op, waar het interieur steeds gezelliger wordt. Helemaal als Rienk met het lumineuze idee komt mijn project, om alle oude fotolijstjes te vullen met tekeningen, aan te wenden voor de realisatie van een kleine galerie met voorstellingen van plekjes die we hebben bezocht. Een mooier souvenir is niet denkbaar.

Commentaren: 0

12. Hoog water

We zijn in de provincie Utrecht; bij Fort Everdingen, dat als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de negentiende eeuw werd gebouwd en gebruikt als magazijn voor munitie en springstof. Een fortterrein van maar liefst twaalf hectare groot. Nu een natuurcamping en zo'n zes jaar in handen van een bierbrouwerij, én -proeverij; de laatste vanwege corona momenteel gesloten.

Met de snoet van de camper staan we richting de volgelopen uiterwaarden van de Lek. Op sommige stukken piepen de daken van de bunkers net boven het waterniveau uit. Volgens de campingbeheerster komt het niet vaak voor dat de waterstand zo hoog is. Het klompenpad door de weilanden en uiterwaarden, historische dijken en boerenland is er onbegaanbaar door geworden.

In de verte ligt Gelderland met Culemborg en de Kuilenburgse spoorbrug, na de voltooiing in 1868 even de langste ter wereld. Elke trein die de brug passeert wordt enthousiast beschreven door een jongetje van een jaar of acht. Hij staat boven op een heuvel - daar waar vroeger de kanonnen stonden opgesteld - en strooit zijn bevindingen al schreeuwend over de campinggasten uit. De camperaars trotseren de kou en laven zich aan de warmte van de vuurkorven. De vader van het jongetje staat een stukje van hen vandaan en is druk met zijn smartphone. Onverstoorbaar. Doof voor het enthousiasme boven hem. Totdat de stem van het kind ineens een paar octaven omhoogschiet als hij vast komt te zitten in een doornachtige struik. Het kan niet anders of de vader zal zich moeten losmaken van zijn schermpje en de heuvel beklimmen om zijn zoontje te bevrijden. De gezichten om hem heen gebieden hem daartoe. Met zichtbare tegenzin klautert de man omhoog, terwijl de blikken van de camperaars in zijn rug prikken.

Na dit incident zie ik dat je vanaf de camping drie kanten op kunt. Als eerste fietsen wij over de dijk naar Culemborg. Een rit gekenmerkt door oorlog. Behalve de bijna onder water staande bunkers passeren we het sluizenstelsel uit 1875 dat ervoor diende het gebied onder een laag water te zetten om vijandelijke opmarsen te verhinderen. Wellicht trad de Lek in die tijd nog niet buiten haar oevers en zeker niet op commando...

We gaan langs de tankversperring uit 1939/1940 en langs nog meer oorlogshistorische bouwwerken. Een tochtje dat qua afstand niet veel voorstelt maar wel eentje met een kilometerslange beleving voordat we uiteindelijk in Culemborg belanden. Hier springt vooral het stadhuis op de Oude Vismarkt in het oog. Iets verder dijkwaarts ligt het kleine dorpje Beusichem, waar we aan het plein op een bankje voor de kerk onze lunch eten, gekocht bij de plaatselijke supermarkt. Op het industrieterrein van Beusichem, met in de kern vooral markante villa's, is een bedrijf dat oude legervoertuigen verkoopt. De oorlog waart overal rond.

Bij terugkomst op het fort maakt onze rechterbuurman aanstalten te vertrekken. Vanwege zijn mooi geformuleerde zinnen en gedistingeerde uiterlijk noemen we hem de ''Uitgever". Bij nadere kennismaking blijkt het om een restauranthouder uit Zwolle te gaan. Hij en zijn vrouw zijn voor een paar dagen naar Everdingen vertrokken om hun dochter die in Utrecht studeert te ontmoeten. Met z'n drieën overnachten ze in een camperbus die door de "Tapasman", zoals we hem nu noemen, enorm wordt geroemd. Des te ongemakkelijker voor hem als bij vertrek de accu leeg is en wij en een ander stel de auto moeten duwen. De motor van de camperbus heeft slechts een klein vlak stukje grond ter beschikking om aan te slaan, want direct daarna gaat het heuvelopwaarts. Correct chaufferen is dus een eerste vereiste en die kunst lijkt de Tapasman niet heel goed te beheersen. De mannelijke helft van het duwende stel, voormalig directeur van een garagebedrijf, loodst hem erdoorheen. Na afloop krijgen we alle vier een visitekaartje met het adres en de belofte voor een gratis drankje bij bezoek aan het restaurant.

Dankzij de vrijgekomen plaats kunnen we opschuiven naar het vrijgekomen plekje zodat we niet alleen aan de voorzijde maar ook aan één zijkant vrij zicht hebben. Het zonnetje breekt door en nodigt uit om de luifel uit te proberen. Door de achterblijvende temperaturen helaas de enige keer in het voorjaar dat die wordt uitgerold en voor echt lang buiten zitten is het ook deze middag te koud. We ruilen de luie stoel in voor de fiets en gaan de andere kant van de dijk op, naar Vianen, langs het imposante stuw- en sluizencomplex Hagestein. Het complex bestaat uit een stuw en een schutsluis. Bij de stuw hangen twee vizierschuiven (boogvormige staalconstructies) in het water. Wanneer de rivierwaterafvoer groot is, en dat is pakweg vijfenveertig dagen per jaar, staan de bogen van de stuw omhoog en hoeft de scheepvaart geen gebruik te maken van de schutsluis.

Voorbij de sluizen is de dijk tijdelijk afgesloten en moeten we via de bedrijventerreinen onder de rijksweg door, om in Vianen te komen. Deze plaats is gebouwd rond de haven en aangelegd als vestingstad, ter verdediging tegen vooral het naburige Utrecht. Ook hier valt het stadhuis op. Verder zijn vooral de stadsmuren, verdedigingswerken en kastelen kenmerkend voor Vianen en durf ik nu - na een week Fort Everdingen - te concluderen dat deze streek heel veel oorlogsverleden uitademt en de Lek een alles overheersende rol in het landschap inneemt. En heel concreet: in de tijd dat wij er zijn, valt me op dat de 'Flipjes', zoals ik de fruitbomen als afgezanten zie van het beroemde Betuwse Flipje, steeds meer ademruimte krijgen. Het waterpeil is tanende. De vijand is geweken. 

Commentaren: 0

11. Waddenkust en gedenkteken

Het eigen bed in Sint-Annaparochie voelt onwennig, met de camper op vijf kilometer afstand. We zijn voor drie dagen in het appartement, voornamelijk om de laatste tekeningen uit de coronaregenboogserie in te schilderen. Ze maken deel uit van een project, waarvoor ik door een bevriende kunstenaar ben uitgenodigd. Tegelijkertijd benut ik de tijd voor het verzamelen van materialen voor nieuwe kunstprojecten waaraan ik onderweg kan werken.

Wanneer we de camper ophalen, wacht ons een verrassing. We hoeven niet te betalen. In ruil voor de kortstondige stalling wil de boerin, een echte Friezin, een exemplaar van mijn boekje "De geschiedenis van de Friese Elfsteden in vogelvlucht". Nadat ik het boekje voor haar heb gehaald, mogen we nog even om het hoekje kijken in de stal, waar zojuist het eerste lammetje is geboren. Zo schattig dat kleine bolletje witte wol. We zijn helemaal vertederd als we aan ons derde rondje door Nederland beginnen, vooralsnog de langste.

We rijden over de Afsluitdijk. Aan het einde, bij de Stevinsluizen ligt het dorp Den Oever met, tussen de Buitenhaven en de Noorderhaven, Parking Oostkade. Een prachtige camperplaats waar we al meerdere keren hebben gestaan, en die nu opnieuw wordt ingericht. Het viskraampje is inmiddels verhuisd naar een restaurant; een nieuw gebouw op de plaats waar eerst het sanitair was.

Aan de overkant van de Noorderhaven ligt het dorp. Daar was ik nog niet eerder. Ik word verrast door de haven gerelateerde ornamenten in de voortuinen, zoals een reddingsboei, vuurtoren of soms gewoon een simpel stuk wrakhout. Sommige huizen hebben patrijspoortjes als ramen. Door de grote haven heeft Den Oever veel cafés en restaurants en zelfs een molen, maar geen kerk. Die is in 1960 afgebroken en in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen opnieuw opgebouwd. Na wat omzwervingen kom ik langs de Coupure, een doorgang in de waterwerking die in nood kan worden afgesloten zodat er geen overstroming plaatsvindt. Het zicht op de kleurige vissersboten en de reuring op de kade blijven boeiend. Ik ga het centrum weer in en kom na een poosje bij het Wad. Daar ziet de kust er, qua begroeiing en de dijk van asfalt, hetzelfde uit als in Friesland. In de verte zie ik zelfs een kerkje opdoemen, net als in Wierum. Het blijkt om de Michaelskerk in Oosterland te gaan, helemaal opgetrokken uit turfsteen. Ik ben enigszins verrast, want een dergelijk landschap had ik hier niet verwacht. Dacht eigenlijk dat dit soort natuurschoon alleen aan Friesland en Groningen was voorbehouden. Later lees ik dat Den Oever ook wel de Poort naar de Waddenzee wordt genoemd. Ik geniet zonder te beseffen dat het waarschijnlijk de laatste keer is dat ik hier ben, althans als camperaar. Na de herinrichting zullen de voorzieningen niet meer terugkomen en de overnachtingskosten stijgen. Voortaan zullen we, voordat we aan een rondje Noord-Holland beginnen, overnachten aan de Friese kant; in Harlingen. Maar daarover later meer...

Eerst gaat de tocht verder naar Vijfhuizen: Camperpark N205. Ook hier waren we eerder en wandelde ik er door het voormalige Floriadepark. Nu is het tijd voor een fietstocht die start bij het Nationaal Monument MH17; een bijzonder landschapsobject. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de vliegtuigramp zijn in een parkachtige setting 298 bomen geplant in de vorm van een groen lint; voor elk slachtoffer één boom. Een herdenkingsbos met gedenkteken.

Vervolgens verkennen we de plaatsen om Vijfhuizen heen, waaronder Hoofddorp en Heemstede. De route gaat langs het prachtige onderkomen van het Cruquius museum. Het begint te schemeren wanneer we Haarlem binnenrijden. Om niet voor de zoveelste keer in het donker te verdwalen lijkt het beter op tijd terug te zijn in het camperpark, waar eind januari de lichtjes in de kerstbomen nog altijd branden en een paar mensen rond een vuurkorf zitten. In het licht van de koplampen staat een man te zagen. Een ieder heeft zich teruggetrokken in zijn eigen wereldje, of dat nu in een mooie dure camper is of in een oude, gedeukte bus. Leven en laten leven. Samen in de strijd tegen corona. Boven ons vliegen de vliegtuigen af en aan. Daar lijkt geen enge ziekte te bestaan. 

Commentaren: 0

10. Sneeuw en ijs

Eigenlijk zouden we vanuit Maastricht op de fiets naar Valkenburg gaan, maar nu we ons op de dreigende vorst moeten voorbereiden, doen we dit toeristische plaatsje even als tussenstop met de camper aan. Want er zomaar aan voorbijrijden, is geen optie. Valkenburg hoort op de een of andere manier bij mijn familie. Mijn ouders zijn hier op huwelijksreis geweest en hebben er later, met mij erbij, een aantal vakanties doorgebracht. Ook hun vijfentwintig jarig huwelijksfeest hebben ze hier met ons gevierd.

Het is niet druk in het stadje, zoals nergens op dit moment met corona. We lopen door de straatjes. Rienk moet van mij op de foto; bij de Grendelpoort, met een doorkijkje naar het muziekcafé 't Jachthoes. Precies zo'n plaatje heb ik bijna vijftig jaar geleden van mijn moeder geschoten. Vlak bij het poortje spotten we naast een huisdeur een Paastak met eitjes. Kerstversiering maakt plaats voor Paasversiering. Nog zeven weken te gaan en dan is het zover.

Ook in Helden is de Kerstversiering opgeruimd. Daar nog geen Pasen te bekennen, maar wel carnaval. Bijna elk huis heeft wel iets van slingers of vlaggen. Bij één familie zijn ze wel heel enthousiast. Daar hebben ze van kleurige kleding vier poppen gemaakt die door de voortuin de polonaise lopen.

In het zuiden van het land laat de voorspelde sneeuw nog even op zich wachten. Het is pas aan het eind van de middag als de eerste vlokjes naar beneden dwarrelen en wij naar buiten gaan. De wind is snijdend en gaat dwars door mijn jack dat ik had gekocht vanwege de min-vierentwintig-graden-garantie. Het lijkt alsof ik in mijn T-shirt loop.

Bij terugkomst is er een camper bij gekomen. Kameraadschappelijk, als twee witte 'koelkasten' in de sneeuw staan ze klaar om de strijd met de elementen aan te gaan. Vijf dagen houden ze dapper stand, terwijl zich om het karkas een harnas van ijs vormt en de grille de contouren aanneemt van een kleutergebit dat aan het wisselen is. Tussen de twee kameraden murwt zich tegen de avond een klein busje. Het lijkt niet zo goed bestand tegen de extreme weersomstandigheden. Afgaande op de weinige woorden die ze zeggen, blijken de Engels sprekende 'bewoners' uit Amsterdam te komen. Wat er precies met hun onderkomen aan de hand is, weten we niet, alleen dat er iets goed mis is, want je ligt niet voor niets een paar uur half onder een bus met een brander en teiltje midden in de natte sneeuw. En ook sta je niet voor je lol uren op het dak. We vragen of we kunnen helpen, maar daar willen ze niets van weten en keren ons min of meer de rug toe. Na vijf dagen neemt de ergste kou af en is de sneeuwlaag niet meer zo dik. Het busje vertrekt.

Maar voordat het zover is, dalen elke dag nieuwe dikke witte watten neer; op het terrein, op de aspergevelden, op de bomen, de struiken; en ook op de paarden en de pony's, dik weggedoken in hun wollige vacht. En telkens daarna schijnt de zon op de vers gevallen sneeuw en laat de ijskristallen fonkelen. Een camperterrein als in een sprookje dat voorlopig niet in schoonheid hoeft in te boeten, want de boer strooit geen zout. En elke dag opnieuw trekken we eropuit, worstelend door de hoge sneeuwduinen op de velden, struikelend over de aspergeverhogingen die we niet zien en glijdend over de platgetrapte paden in de bossen.

Een man wijst ons op een groepje dennenbomen in de verte: 'Zo mooi. De zon smelt de sneeuw op de takken totdat de druppels aan de uiteindes blijven hangen. Door de wind bevriezen ze weer. Het lijken net kerstbomen met glazen pegels erin.'

Even later komen we eraan voorbij. Hij heeft niets te veel gezegd; ik schiet zeker tien foto's .

Een Christusbeeld aan een kruis aan de kant van de weg slaat me zwijgend gade. Aan de daken van de varkensstallen kraken de ijspegels. In het centrum ronken de sneeuwmaaiers.

Langzaam aan stopt het met sneeuwen en worden de wegen begaanbaarder. De zon doet de rest. We proberen het ijsharnas met onze handen van de camper te breken. Dat is niet makkelijk, want op sommige plekken is het ijs wel vijf centimeter dik. De motor maakt ons werk af. Pas in Lhee, waar we de voorspelde ijzel afwachten, vallen de laatste stukken eraf. Tenminste, daar lijkt het op. Nadere inspectie met de telescoopladder die we onderweg in Tegelen bij een bouwmarkt hebben opgehaald, toont een bevroren dak.

Ook in Lhee lijken we in een sprookje te zijn beland. De lage, kleine boerderijtjes, de smalle weggetjes, de bossen, de velden; alles is met een dikke laag sneeuw bedekt. Op het meertje, waarin nog geen anderhalve maand geleden de kerstboom weerspiegelde, wordt geschaatst. Niet lang, want de ijzel zet in. Een hele dag regen verandert de witte wereld in een grijsgrauwe nattigheid met plassen die tot je enkels komen. Gek genoeg voelen wij ons dan op ons best. Eindelijk een hele dag ongelimiteerd met de laptop op schoot, totdat de pupillen vierkant zijn. 

Commentaren: 1
  • #1

    Ellie Schmitz (woensdag, 26 mei 2021 12:01)

    Ik zie het voor me Connie en tijdens het lezen voel ik ook hoe jullie genieten. Mooi!

9. Dicht Getimmerde steden

Ik heb het er al eerder over gehad. De inrichting van de camper behoeft naar ons idee enige aanpassingen, zodat het allemaal wat persoonlijker wordt. Wat dat betreft zijn we al aardig op weg met de plantjes uit Sint Annaparochie, maar het kan beter. Om de sfeer van ons appartement, dat vol met mijn schilderijen hangt, een beetje te evenaren heb ik vier royale kussens in Tilburg laten bedrukken met afbeeldingen van een aantal werken. De bestelling verliep via internet en nu is het tijd om die op te halen, net als een exemplaar van een gedichtenbundel met een paar van mijn gedichten. Voor het boekje moeten we naar Eindhoven.

Het oorspronkelijke plan was om in beide steden op een stadscamping te gaan slapen, maar vanwege de uitbrekende rellen over de avondklok zien we daarvan af. De journaalbeelden van dichtgetimmerde winkels zijn behoorlijk ontmoedigend. In plaats daarvan gaan we een nachtje naar Helden, dat dicht bij allebei de locaties ligt. We waren daar eerder en de aspergeboer ontvangt ons dan ook blij verrast.

Deze keer pakken we de fiets om de omgeving te verkennen en komen zo terecht bij een wel zeer aparte rotonde in Panningen die het midden houdt tussen een schroothoop, een ongeluk en een kunstwerk. Waarschijnlijk is het laatste het geval, maar het ziet er uiterst curieus uit met oude auto's en een tractor die tussen het groen omhoog steken.

Na een heerlijk soepje bij de aspergekweker en een goede nachtrust rijden we de volgende middag in een stuk vrolijker interieur naar Camperplaats Maastricht, pal aan de Maas. Met honderd plaatsen is het een van de grootste camperplaatsen in Nederland en de eerste plaats in Zuid-Nederland die puur is ingericht voor campers. Negenennegentig plaatsen zijn vrij, dus we hebben het voor het uitkiezen. We gaan voor een plekje op de eerste rij met goed zicht op de grazende Schotse hooglanders en het aan de overkant gelegen kasteel Borgharen. Bij aankomst treffen we prachtig zonnig weer, dat al gauw omslaat als we te voet naar de Stuwweg gaan, waar een soort kleine waterval is met arken op het hoogste niveau gelegen.

Gelukkig is het de volgende ochtend weer droog en zonnig, en zelfs - voor het eerst dit jaar - doet het een beetje warm aan. Op de fiets kunnen de handschoenen in ieder geval uit en zo komen we langs een geweldig mooi beschilderd huis met een levensgrote vogel in het centrum. Een centrum kaler en stiller dan ooit, met een nagenoeg verlaten Vrijthof. Er omheen de restaurants met dichtgespijkerde deuren en ramen. De beeldengroep met vijf gekleurde carnavalsvierders is de enige die leven in de brouwerij brengt. In de straten is het al niet veel beter. Bijna geen etalage te bekijken. Overal houten platen. Een lunch to-go zit er eveneens niet in. Bij Jamin kopen we een Churros en ertegenover een Luikse wafel, iets anders is er niet. We gaan over de Markt en zien het stadhuis eenzaam uitkijken over de keien. Twee jaar eerder zaten we er op een van de pop-up-terrasjes bij de marktkraampjes. We lopen langs de Maas, over de Servaasbrug richting station. Ook hier een desolaat schouwspel. Gelukkig maakt het weer veel goed, het wordt steeds warmer. De jas kan los.

Op de terugweg rijden we de camperplaats een stukje voorbij. Op nog geen kilometer afstand ligt België. Smeermaas Lanaken staat er op het plaatsnamenbord. Het ligt aan een dijkje met een bankje, waar we van de weerspiegelingen op de Maas genieten. Het plaatsje mogen we niet in; daarvoor is vanwege corona een "verklaring op eer" nodig. Dat weten we van de enige andere camperaar die bij ons staat. Een Maastrichtenaar met een appartement op nog geen twee kilometer afstand, waar hij vrijwel nooit is. Hij en zijn vrouw wonen bijna net zo permanent in de camper als wij. Normaal staan ze rond deze tijd in Spanje, zoals zo veel camperaars die we onderweg spreken. Het is Spanje of Oostenrijk, ergens anders lijken ze in de winterperiode niet naartoe te gaan.

Er wordt koud weer voorspeld met strenge vorst. We overleggen met de Maastrichtenaar die dit jaar een beetje de zaken van de camperplaatseigenaar overneemt. Wordt het water afgesloten; kunnen we het chemisch toilet legen als straks de koude toeslaat? En hoe moet het met de elektriciteit? De stroom is hier erg duur. Natuurlijk kunnen we in geval van nood overschakelen op gas, maar de dichtstbijzijnde leverancier van gasflessen zit een eind weg en hoe komen we daar als de wegen zijn bevroren en het misschien gaat ijzelen?

De man pleegt overleg met de eigenaar. We mogen voor de helft van de prijs stroom gebruiken. Hoe het met het water gaat, kan hij niet zeggen. Voorlopig laten ze de kranen open. Wat is wijsheid? Zullen we blijven of gaan we terug naar Helden? Daar is alles goed voor elkaar. We kennen de eigenaar en weten dat er een schuur is waar we terecht kunnen water en het legen van het chemisch toilet. Water innemen zal wat moeilijker worden, maar als we de watertank tot aan de rand vullen en om de dag douchen moeten we een heel eind kunnen komen. En zo maken we ons op voor een derde bezoek aan de aspergeboer.

Commentaren: 1
  • #1

    Sophie (zondag, 23 mei 2021 13:14)

    Zo leuk jullie avonturen in woord en beeld te volgen!

8. Na regen komt vorst

De fietsen blijken een welkome aanvulling op onze camperuitrusting. Het is in Dwingeloo dat we de eerste fietstocht maken. We staan geparkeerd op een groot terrein, vlak bij een snackbar waar we een tsunami aan kroketten hebben gehaald: kalfskroket, kaaskroket, satékroket en goulashkroket. Na al die tijd in de camper op ons 3-pitskooktoestel gezond te hebben gekookt, nu een keertje lekker ongezond doen.

Vanaf de parkeerplaats fietsen we de Dwingelerdervelden op. De donkere luchten boven de beigebruine gekleurde velden spiegelen in de vele vennen, veentjes én regenplassen, want ook deze keer is er weer behoorlijk veel neerslag in dit gebied. Toch weten we het voormalig Planetron na een rit over de heide droog te bereiken. Na zes jaar leeg te hebben gestaan is het een Toeristisch Huis geworden, en nu uiteraard gesloten. Het is dan ook niet het Planetron dat ons hierheen trok, maar de oude vervallen telescoopschotel ernaast: een prachtig fotografeerobject voor wie houdt van vergankelijkheid, roest en verval.

Met de fietsen weer in de garage rijden we door naar Lhee, dat net als bij het vorige rondje door Nederland onze eerste camperstop wordt. Dat komt, omdat het dicht bij Onna ligt, de locatie van de camperdealer. Er moeten nog een paar kleine dingetjes aan ons huisje worden gerepareerd.

Bij het binnenwandelen van de showroom wacht ons een verrassing, want wie staat daar in alle glorie te pronken; met de schuifdeur wagenwijd open, het hefdak omhoog en de fietsenstandaard uitgeklapt? De oude camperbus! 'Het is toch echt nog steeds een beauty', zeggen we tegen elkaar, terwijl onze vingers liefkozend over de grijze metallic lak strijken.

Onderweg drinken we koffie op een van de verlate parkeerplaatsen van het monumentendorp Orvelte. Normaal super toeristisch en hartstikke druk, nu een oase van rust. We maken een korte wandeling en grinniken om een houten bordje in de berm 'overstekende katten'. Ondertussen krijg ik een appje van onze dochter: ze is net thuis van een dagje Drenthe met haar vriendin. In Havelte is ze geweest, een van de plaatsjes waar we net doorheen zijn gereden. Als ik haar dat schrijf, reageert ze verbijsterd. Op zulke momenten wordt haar ineens akelig duidelijk dat topografische kennis soms goed van pas kan komen...

Ons volgende camperonderkomen ligt niet ver weg: in Wapenveld, een mooie uitvalbasis voor een fietstocht naar Zwolle. Ook hier weer een sympathieke boer die ons de weg wijst naar een droog plekje op het voor de rest met regenwater doordrenkte land. We zijn aan drie zijden omringd door dieren: paarden, pony's, geiten, alpaca's, een hangbuikzwijn en sierduif. Aan de andere kant ligt een meer met doerebouten, de zogenaamde klapsigaren die mijn schoonvader altijd meenam voor zijn kleinkinderen.

De omgeving is werkelijk wonderschoon en heel rustig. De wandeling naar het plaatsje valt dan ook een beetje tegen. Rustgevend wordt saai. Misschien dat er vroeger iets meer reuring was, in de tijd dat de Berghuizer Papierfabriek nog in bedrijf was. Bij de paar winkels die het dorp rijk is, staat het beeld de "Papiermaaker" dat nog aan deze tijd herinnert.

De volgende morgen willen we het gebied per fiets verkennen, want de mooie hoge dijk ligt uitnodigend klaar voor een tochtje naar de Overijsselse hoofdstad én Hanzestad Zwolle. Zover komt het echter niet. Die nacht vriest het stevig. Grasland, bomen en struiken zijn dik berijpt. Op het meertje ligt een laagje ijs en ook de camper heeft een dun ijsjasje aan. De zon laat het landschap glinsteren en zorgt ervoor dat een vliegtuigstreep als een oplichtende komeet naar het meertje wijst. In de lucht gaan zwermen vogels voorbij en is een schim van de maan te zien.

Het is de boer, in als zijn vriendelijkheid, die het paradijs verstoort. 'Sorry,' , zegt hij, 'maar ik moet het water afsluiten, anders bevriezen de leidingen.'

En ja, dan kan een camper nog zo'n luxe, veilige bubbel zijn, maar zonder water begint ook hij niets. We zullen een andere locatie moeten zoeken.

Commentaren: 0

7. Thuiskomen

Warns is de plaats, waar we twaalf jaar een huis hadden. Het is tevens de plek waar de roots van Rienk liggen. Hij komt weliswaar uit Balk, maar zijn ouders, grootouders en diverse ooms en tantes zijn in Warns geboren en opgegroeid. Dit is dan ook de reden dat we tijdens ons 'zwerversbestaan' voor een huisartsenbezoek nog altijd naar Warns gaan en niet naar Koudum, Weidum of Sint-Annaparochie waar we veel korter hebben gewoond. Het voelt hier toch nog steeds een beetje als thuiskomen.

Na een nachtelijke stop tussen de nu nog kale en natte velden bij een tulpenkweker in Slootdorp en een lunch op de Afsluitdijk, komen we vroeg in de middag aan in winderig Warns. Niet zo vreemd dat de wind om de camper heen giert en we de masten van de zeilboten horen fluiten, want het waait eigenlijk bijna altijd in Warns. Naast ons huis was een pad waar de wind - aangevoerd vanuit het IJsselmeer - vrij spel had en het daardoor vaak een bijna onmogelijke opgave was om de daar geparkeerde auto te laden en lossen.

De camperplaats maakt deel uit van een jachthaven en ligt aan het Johan Frisokanaal, dat uitmondt in het IJsselmeer. Warns telt maar liefst vijf jachthavens, waardoor bijna heel varend Nederland en Duitsland dit verder vrij onbeduidend dorpje wel kent. Naast de brug ligt de gemeentehaven met het schip Noardermar die tijdens de donkere maanden 's avonds de lampjes ontsteekt. De verlichte boot is slechts een onderdeel van ons mooie uitzicht daar. We genieten van het hoog opspattende water, de nu nog schaars voorbijkomende bootjes, de lichtjes op het water, het mooi vormgegeven restaurant De Pyramide en - met een beetje geluk - de bloedmooie zonsondergangen.

Deze keer staat er wel een heel stevige wind, eigenlijk meer een storm die drie dagen en nachten voortduurt. Het lijkt er veel op dat we zelf in een boot zitten, zo hard deinen we op en neer. 's Nachts liggen we te schudden in ons bed en tot overmaat van ramp gaat de wind draaien en worden we wakker gehouden door een enorm geklepper, waarvan de oorzaak een tijdje onduidelijk blijft. Bij nadere inspectie blijkt het om het klepje boven de stekkerdoos van het elektriciteitssnoer te gaan.

Overdag maken we lange wandelingen; naar de supermarkt in Stavoren en over Ymedaem naar Molkwerum, in het Fries Molkwar geheten. Dit dorpje, gebouwd op acht eilandjes door water van elkaar gescheiden, wordt ook wel het Venetië van het Noorden genoemd. Verder is Molkwerum beroemd om de Molkwarder Koeke die het midden houdt tussen koek en cake.

Onderweg komen we twee bekenden tegen en op weg naar de huisarts passeren we een huisje waar een heerlijke geur vandaan komt. De vrouw des huizes komt net met een pannetje onder haar arm de deur uit. Ze groet ons vriendelijk en vertelt dat ze soep naar wat oudere mensen in de buurt gaat brengen.

Op haar vraag 'Wonen jullie ook in Warns?', antwoorden wij dat dit inderdaad voor een paar dagen het geval is.

'Och, dat is ook wat, en dan nu met dit weer? Hebben julie wel te eten?', reageert ze zorgelijk als we de situatie hebben uitgelegd. 'Ik heb helaas niet genoeg, anders hadden jullie ook best een pannetje soep van mij mogen hebben, hoor.'

Als dat geen thuiskomen is!

Na Warns rijden we door naar het appartement in Sint Annaparochie met als belangrijkste missie het ophalen van de fietsen zodat we wat mobieler worden. Verder nog wat nepplantjes in een tas doen, zodat het rijdend huisje nog meer als thuis gaat voelen, en dan door naar Lekkum. De camperplaats daar ligt bijna tegen Leeuwarden aan, de stad waar onze dochter woont. Het is redelijk weer, zodat we met open deur en ramen op veilige afstand van elkaar in ons huis op wielen kunnen zitten. Zij heeft de camper nog niet gezien en is natuurlijk super benieuwd. Heerlijk om elkaar na een paar maanden beeldbellen weer eens even in het echt te kunnen zien. De volgende dag gaan we met z'n drietjes het centrum in en bestellen een pizza die we op de trappen van het gerechtsgebouw opeten. Ook dit voelt als thuiskomen: met onze dochter in de stad waar we voorheen heel vaak kwamen.

Als we na drie nachten en twee heerlijke dagen vertrekken, hoeven we maar voor twee nachten te betalen omdat het sanitair nog gesloten is. Met deze tegemoetkoming bovenop alle andere goede ervaringen in Friesland kan ons gevoel van thuiskomen helemaal niet meer stuk.

Commentaren: 0

6. Een gesloten slot

Tot nu toe hebben we alleen camperplaatsen met bossen gehad. En hoe leuk ik bossen ook vind, het wordt nu wel eens tijd voor iets anders. Dat anders vinden we in Gelderland bij Slot Loevestein, helemaal aan het einde van de Schouwendijk in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Daar ligt een groot parkeerterrein met plaats voor vier campers. Helaas allemaal bezet. Jammer, dan alleen maar een lunch op de gewone parkeerplaats met een wandeling en daarna verder zoeken naar een overnachtingsplek.

We hebben de tafel net gedekt als er op de deur wordt geklopt. Het is de eigenaar van de laatste geparkeerde camperbus die zegt 's avonds om half zeven te willen vertrekken. 'Als ik wegga, geef ik wel een seintje, dan kunnen jullie mooi op mijn plekje.' Dat is aardig!

Na het eten dus nog volop tijd voor een wandeling. Eerst maar eens langs het kasteel, beroemd om de ontsnapping van Hugo de Groot in een boekenkist. Het is uiteraard gesloten vanwege corona. Is niet heel erg, want er is genoeg te zien in dit prachtige natuurgebied. We genieten van de immens lange vrachtschepen die voorbij varen. Ze glijden langs de bijna volgelopen uiterwaarden, waar de Schotse hooglanders grazen tussen kale wijduitstaande bomen. Hun lange afgeknapte takken liggen op de drassige grasbodem. Er is zelfs een strandje. Aan de kant van het slot liggen diverse zandbanken, waarop aalscholvers hun gespreide vleugels drogen.

Het pad houdt op. Aan de overzijde ligt Woudrichem, waar je normaal gesproken met een pontje naartoe kunt, maar dat nu uit de vaart is genomen. Een pontificaal opgehangen doorgezaagde gasfles met klepel wacht geduldig op betere tijden. We lopen terug, langs de parkeerplaats en gaan de andere kant op, waar de uiterwaarden bijna helemaal onder water staan. Alleen de bomen houden het van boven droog, hun wortels angstvallig vastgeketend in kleine stukjes land die als eilandjes boven het water uitsteken. Een mooie plek.

Een andere mooie plek is Vijfhuizen, dat we hierna aandoen. Daar ligt langs de N205 het gelijknamige camperpark met een rechtstreekse busverbinding naar Haarlem, Schiphol en Amsterdam. Het is een gigantisch terrein met ruime camperplaatsen van maar liefst vijftig vierkante meter. Eenmaal per jaar doet het veld dienst als parkeerterrein voor bezoekers aan de Expo Haarlemmermeer, het glazen expogebouw dat tijdens de Floriade 2002 werd opgericht en aan de overkant van de weg staat. Nu is het ingericht als coronatestlocatie. Er ligt een groot natuurgebied omheen: de Groene Weelde, waarvan een deel het voormalig Floriadeterrein omvat met de Big Spotters Hill. Deze vierkante heuvel is gemaakt van zand en aarde dat bij de aanleg van sloten en vijvers voor de Floriade is vrijgekomen. De tweeënveertig meter hoge piramide met daarop de Ruimtetempel van kunstenaar Auke de Vries diende als uitzichtpunt. Nu is de heuvel vooral populair voor heuveltrainingen. Ik sta perplex over het gemak en de snelheid waarmee de joggers de trap bedwingen met treden van niet meer dan de breedte van een trottoirband. De Ruimtetempel is inmiddels door storm verwoest en heeft plaats gemaakt voor de Mainport van Lehner en Gunther architecten. Een bouwwerk van vijftien meter hoog met boogvormige openingen op elke windrichting.

De groene Weelde sluit aan op het Haarlemmermeerse bos dat via een brug over de N205 bereikbaar is. Ik loop tot het futuristisch ontworpen restaurant in de vorm van een vliegtuig of een vis met geopende bek. Voor mij kan het allebei. Het restaurant ligt aan een woest kolkende vijver. Een frisse krachtige wind zwiept het water omhoog. Het wordt tijd om terug te gaan naar de camper, want ik heb er inmiddels al een fikse trippel op zitten. Bovendien zit er sneeuw in de lucht.

De aanleg van het park verrast me. Hoewel in dit jaargetijde de natuur nog dood en dor is, zie ik de kleurrijke borders zo voor me. Ik ga over een kronkelig houten pad, dwars door een andere waterpartij heen en zie in de verte een bankje met drie stenen mensen. Een oude man en vrouw. Ze zijn met elkaar in gesprek. Tussen hen in zit een jonger figuur met het hoofd omhoog, genietend van denkbeeldige zonnestralen. De eerste kleine sneeuwvlokjes van het jaar dwarrelen op hen neer. Aangekomen bij het camperpark blijf ik verrast staan. Een uiterst fragiele witte deken spreidt zich uit over het veld. Verspreid staan enkele verlichte kerstbomen. In combinatie met de lichten in de toppen van de hoogspanningsmasten en de lampjes langs de landingsbanen van Schiphol is mijn uitzicht sprookjesachtig en futuristisch tegelijk.

Commentaren: 1
  • #1

    rienk (vrijdag, 07 mei 2021 22:24)

    Wat prachtig verwoord, alsof je er zelf bij bent.

5. Witte kalk en een blog

Het schijnt dat we het witte stadje Thorn, in Limburg, al tweemaal eerder hebben bezocht, maar mij is alleen de eerste keer bijgebleven. We waren twaalfenhalf jaar getrouwd en wilden dat met onze kinderen, vijf en bijna twee jaar oud, een paar dagen in Thorn vieren. Helaas moesten we na één nacht alweer vertrekken. We sliepen in een hotel tegenover de Abdijkerk die hoog boven de witte huisjes uittorent. De jongste, normaliter de rustigste van de twee, had de hele nacht gehuild en geschreeuwd, en dat terwijl ze toch gewoon in een eigen campingbedje lag met haar vertrouwde knuffel en spuugdoekje. Het ontbijt de volgende ochtend voelde niet goed aan. De mensen keken ons boos en geërgerd aan, maar het meest boos was toch wel onze oudste die niet kon begrijpen dat het beter was als we terug naar huis gingen. Hij had zich zo op het uitje verheugd en helemaal niets gehoord van de herrie die zijn zusje maakte.

Nu slapen we op een van de drie camperparkeerplaatsen aan de rand van het stadje met aan de ene kant het zicht op de kerk en aan de andere kant op kasteelhoeve De grote Hegge.

Thorn staat dus vooral bekend om de markant witgeschilderde huizen, plus de monumentale panden en de authentieke geplaveide straatjes. Het stadje was achthonderd jaar een mini-vorstendom; een staatje met een eigen rechtspraak en munt. Hieraan kwam in 1794 een einde met de komst van de Fransen die een belasting invoerden op basis van de omvang van de ramen. Meer ramen in het huis betekende een hogere belasting. Voor wie dit niet kon betalen, metselde de ramen dicht. Die dichtgemetselde ramen worden ook wel de littekens van de armoede genoemd en om dit te verbloemen kalkte men de huizen wit. Een mooi verhaal...

Er is een bosachtig paadje tussen de parkeerplaats en de kasteelhoeve in. Zo loop je, voordat je in het centrum terechtkomt, om het plaatsje heen. In de kern aangekomen, blijven we staan voor het hotel, waar we achtentwintig jaar geleden logeerden. De uitbater van het ernaast gelegen restaurant veegt zijn stoepje schoon. We raken met hem aan de praat. Uiteraard is het ook voor hem in coronatijd geen vetpot. Hij hoopt met het to-go-tentje voor de deur zijn financiën enigszins bij te spijkeren, maar voorlopig is het buiten bitterkoud en heeft hij weinig klandizie. We lopen verder, langs de kerk en het kerkhof en komen op een plein, waar het op 13 januari met de grote kerstboom in het midden nog steeds feestelijk aandoet. Daarna vervolgen we onze weg via buitenpaadjes door bossen en over velden. Niet alleen Thorn zelf is heel mooi, maar de omgeving ook. Een boerderij met een open mesthoop tussen betonnen muren doet me denken aan Noord-Italie, waar we goede herinneringen aan hebben. We passeren een paar huisjes waar, afgezien van wat kalkrestanten, het wit vanaf is. Hopelijk blijft het bij deze twee woninkjes, anders zou Thorn zijn charme verliezen.

Twee dagen later verruilen we Limburg voor Brabant en doen we Vessem aan. Ook hier een nieuwe camperplaats. Veel boeren zagen het afgelopen jaar hun kans schoon hun land op deze manier als een nieuwe bron van inkomsten in te zetten. Er zijn meer camperaars dan ooit en iedereen leeft in zijn eigen bubbel. Hoe kun je de coronacrisis veiliger en plezieriger doorkomen? Een aantal van hen houdt een vlog bij. Rienk pusht mij dit ook te gaan doen, maar ik zie niet goed wat ik daaraan zou kunnen toevoegen. Ik vind de filmpjes op YouTube veel van hetzelfde. Een blog past me beter. Zit ook minder druk achter en is makkelijker uitvoerbaar, zeker wanneer we op plekken zonder elektriciteit staan en we dus zuinig moeten omgaan met de stroom en de laptop gesloten blijft.

Ook in Vessem kijken we uit over velden omzoomd door bossen en staat er een met kerstaccessoires gedecoreerd informatiehokje. De ontvangst is allerhartelijkst en omdat het woensdag is, krijgen we gratis soep. Een wasmachine met droger behoren nog niet tot de faciliteiten. Hiervoor moeten we naar Veldhoven, naar een tankstation vlak naast een landingsbaan. Daar staat een soort bushokje met twee machines, één voor acht kilo en één voor achttien kilo textiel, respectievelijk voor vier en acht euro te gebruiken, inclusief wasmiddel. De droger kost twee euro, maar dat is nep. Ik moet hem zeker drie keer laten draaien en dan nog is de was vochtig. Verder mis ik de lekkere frisse zeepgeur die toch kenmerkend is voor een schone was. Maar ik klaag niet. Stiekem vind ik het wel wat hebben als ik met mijn gewassen kleren door de striemende regen naar de camper loop, terwijl twee vliegtuigjes laag over me heen scheren.

Commentaren: 2
  • #2

    Ellie Schmitz (maandag, 03 mei 2021 19:11)

    OntZettend leuk dit te lezen, ook omdat ik alle plekjes ken die je beschrijft. Wat moet het toch heerlijk zijn zo’n vrijheid te hebben en het atelier bij de hand!

  • #1

    Sophie (maandag, 03 mei 2021 17:09)

    Heerlijk om jullie zo te volgen. Slow living zou mij ook wel passen.

4. Hondje in Limburg

Limburg blijkt niet de makkelijkste provincie te zijn om een camperplaats te vinden. Er zijn wel heel veel duurdere campings met tal van extra voorzieningen, maar dat is niet wat wij zoeken. Bovendien zijn de meeste in het winterseizoen gesloten. Uiteraard zijn er de camperapps en Google Maps voor het vinden van een geschikt plekje, maar ook die leveren vaak niet het bevredigende resultaat op. Toch lijken we na lang zoeken een leuk plekje bij een boer vlak bij Milsbeek te hebben gevonden. Het is nog wel een uitdaging om er te komen via de smalle weggetjes, die soms meer weg hebben van een fietspad dan van een autoweg. Halverwege zo'n fietspadachtige weg - een hoge dijk - ligt de eindbestemming. We rijden de steile helling af, het boerenerf op, met aan het einde een hek met een piepklein bordje 'Gesloten'. "Misschien een foutje", opper ik voorzichtig, terwijl ik naar het openstaande hek wijs. "Wellicht zijn ze het bordje vergeten weg te halen."

Afgaand op de rood aanlopende boer die plotseling uit het niets geïrriteerd komt aangerend, neem ik mijn woorden direct terug. "Kunt u niet lezen?", blaft hij ons agressief toe.

Blijkbaar zijn niet alle boeren met een camperplaats zo vriendelijk als we toe nu toe gewend zijn.

Eenmaal weer op de grote weg, vind ik via de app een nieuwe locatie. Hopelijk is die wel open, want het wordt al bijna donker en het is nog een uur rijden. Dan duikt in de schemer een bordje op met 'camperplaats'. We rijden om Milsbeek heen, en komen uit bij een drassig grasveld naast een eethuis. Met het risico dat we in de modder vast komen te zitten, besluiten we het er op te wagen.

Een goed besluit. Tegen een zeer laag tarief staan we helemaal vrij met een geweldig mooi uitzicht over groene velden en bossen. En met het restaurant naast ons, zijn we ook nog eens verzekerd van soep met pannenkoeken. Niet dat we er gebruik van maken, want de koelkast puilt uit van de boodschappen die we onderweg hebben gehaald. Als we dat eerder hadden geweten...

Naast het camperveld loopt een kronkelig pad, met aan één kant het begin van de bossen: het Duitse Reichswald. De weg vormt de grens met Duitsland. Je kunt er heerlijk wandelen, zo vredig. Het enige dat je hoort zijn vogels. We komen helemaal tot rust na de stressachtige zoektocht van de dag ervoor. We lopen door tot de afgravingen met in de verte de waterpoelen waar honderdtallen vogels bivakkeren. Vooral ganzen, zo te zien.

Na de wandeling duiken we verder Limburg in. Het doel is Helden, een plaatsje dat tegen Panningen aan leunt. Beide plaatsen liggen midden in de aspergestreek. Ook de camperplaats biedt uitzicht op een aspergeveld. In het groeiseizoen houdt de boer er rondleidingen en in het kleine winkeltje bij huis zijn het hele jaar door allerlei aspergeproducten verkrijgbaar.

Langzaam aan wordt het kouder, 's ochtends liggen de velden onder de rijp. Een stemmig contrast met de gezellige nog steeds aanwezige kerstversiering die juist warmte uitstraalt. Vooral het houten informatiehokje, dat door de verlichte ster veel weg heeft van een stal, doet knus aan. Het zijn aardige mensen waar we logeren. Ze zijn nog maar een paar maanden geleden gestart en hebben hart voor de zaak. Dat zie je aan de manier waarop ze het camperveld hebben ingericht. Super netjes en verzorgd. Helaas zit een burenruzie hen wat in de weg, waardoor de toekomstplannen voorlopig in de koelkast zijn geparkeerd. Maar het komt goed, zo lezen we drie maanden later. De aspergeboer mag met zijn campergebeuren uitbreiden.

Tijdens ons verblijf lopen we een paar keer door de Heldense bossen naar Helden en Panningen. Soms doen we een uitstapje met de camper, zoals naar Neer dat langs de Maas ligt en waar je via een hoge dijk naar de boulevard wandelt met uitzicht op immens lange vrachtschepen die voorbijgaan. Er is ook een klein haventje waar onder andere wordt gewerkt aan de herinrichting van een camperplaats. Andere uitstapjes zijn Roermond en Vlodrop, waar we per ongeluk de Duitse grens overschrijden. Gelukkig kunnen we direct keren op een van de drukke parkeerplaatsen met fruitstalletjes. In Roermond zijn de parkeerterreinen bij de Designer Outlet vanwege corona gesloten. Jammer, want dat was een handige plek geweest om het centrum te verkennen. We wijken uit naar de bouwmarkttereinen, drinken koffie in de camper en komen er al googlend achter dat het daarvandaan nog een behoorlijk stuk lopen is naar de stad. Ernaartoe fietsen zou een goede optie zijn geweest, maar de tweewielers staan nog in St.-Annaparochie...

Daarom de volgende dag toch maar weer een wandeling rond Helden. Dit keer kiezen we voor een andere kant; die van de Onderse Schans. Deze heeft de lokale bevolking in 1644 gebouwd als vluchtplaats tijdens de 80-jarige oorlog. We worden op onze tocht vergezeld door een klein zwart-wit hondje met lichtbruine oortjes en pientere donkere oogjes, dat ons blijft volgen hoe we ook proberen hem terug te sturen naar zijn huis, dat zich vlak bij de camperplaats moet bevinden. Het hondje heeft heel andere plannen en rent blij kwispelend voor ons uit, zich nauwelijks bewust van het verkeer dat voorbij raast. Het springt van de rechter- naar de linkerkant van de weg en weer terug. Automobilisten toeteren om het hardst en kijken ons verwijtend aan, maar wij krijgen geen vat op het beestje. Ten einde raad slaan we een drassig pad in waar geen verkeer is en het een stuk rustiger wandelen is. Het maakt het hondje niets uit. Dat blijft ons enthousiast volgen. Het doet me denken aan het hondje dat we in Pompeii tegenkwamen en waarover ik een gedicht met tekening heb gemaakt.

Dan valt Rienks oog op een penning rond zijn nekje. Er staat een telefoonnummer op, dat ik bel. Een wat bruuske stem vraagt wat er is. Terwijl het hondje tegen mij opspringt, leg ik hem de situatie uit. De man is niet onder de indruk.

"Maar weet hij de weg naar huis wel? We zijn al best een eindje weg. En hij heeft al helemaal geen benul van het verkeer. Dadelijk rijden ze hem dood", probeer ik hem van de ernst van de situatie te overtuigen.

"Nee hoor, niets aan de hand. Hij loopt met Jan en alleman mee en komt altijd weer ongehavend terug. En nu moet ik verder." Met mijn smartphone in de hand kijk ik Rienk verbouwereerd aan: "Verbinding verbroken."

Uiteindelijk bereiken we alle drie ongedeerd de camper. Daarna hebben we het hondje nooit meer teruggezien. De dag erop niet en ook de twee andere keren dat we deze camperplaats aandoen, niet. 

Commentaren: 0

3. Verdwaald rond de jaarwisseling

Het eerste dat opvalt als we de camperplaats in Rijssen komen opgereden, is het vele asfalt en de opstelling van de campers in een binnen- en buitencirkel. Tussen de campers liggen biljartgroene kunstgrasmatten die aan vilt doen denken, waarschijnlijk ter vervanging van echt gras. De aangebrachte kerstversiering verwarmt de enigszins kil aandoende entourage, net als de uitgestrekte bossen die het perceel beschermend omarmen.

Het is natuurlijk pas onze derde camperplaats, maar we hebben al direct door dat hier iets bijzonders aan de hand is. De merkwaardige indeling en aankleding van het terrein hebben alles te maken met de antislipschool die hier voorheen zat, zo krijgen wij later van een voorbijganger te horen. Bij nadere inspectie blijkt het camperterrein veel meer te bieden te hebben dan de gebruikelijke voorzieningen van vuilnisbak, cassettetoiletreiniging en waterinname en -lozing. Zo zijn er een hondenuitlaatplaats in het bijbehorende stukje bos, een sauna, een lounge, twee wasmachines, een droger en een prachtige douchegelegenheid compleet met stortdouche en verwarmde vloer, waar een hotel nog een puntje aan zou kunnen zuigen.

Na dit allemaal te hebben verkend, wordt het tijd voor het grotere werk. We trekken de bossen in. Het loopt al tegen vieren en over een uur zal het woud zich in het donkerste donker hebben gehuld. Meer dan een klein wandelingetje zit er dus niet in. Een smartphone voor de GPS lijkt om die reden overbodig; op zo'n kleine trip is het immers onmogelijk om de weg kwijt te raken. Bovendien wordt het bos op meerdere plaatsen doorkruist door een verharde weg, dat als herkenningspunt kan dienen. Datzelfde geldt voor de roestige rails in het bosgebied, een overblijfsel van de smalspoorlijnen waarover vroeger klei van de groeve naar de steenfabrieken werd vervoerd.

Toch weten wij er te verdwalen. Het is niet de Markeloseweg waar wij uitkomen maar de Enterweg. We houden een van de spaarzame wandelaars met hond aan die ons hiervan op de hoogte stelt en - hoe aardig - voorstelt om ons met de auto naar de camperplaats te brengen. Volgens haar de beste optie, omdat de korte weg door het bos in het duister geen optie is en de autoweg eromheen veel te lang. We slaan het genereuze aanbod af. Afgezien van het feit dat we niemand tot last willen zijn, schrikt het vooruitzicht om in coronatijd met z'n drieen in een auto te zitten af. We kiezen voor de lange route, waar we opnieuw de weg dreigen kwijt te raken. Wederom staat het geluk aan onze kant en treffen we alweer een wandelaar die zijn viervoeter uitlaat. Ook hij geeft ons de keuze tussen twee mogelijkheden: een lange veilige weg of een kortere onverlichte route met de kans van de sokken te worden gereden. Inmiddels koud, moe en hongerig geworden is de keuze voor de tweede variant niet zo moelijk.

Het is een drukke smalle weg, waarbij we telkens bij het passeren van een auto de berm inspringen. Hoe dichter bij de camperplaats hoe romantischer het wordt, hoewel je dit in deze omstandigheden misschien moeilijk kunt voorstellen. Maar de volle maan, de verlichte huizen tussen de bomen en de lichtjes in de kerstbomen maken veel goed.

Bij aankomst treffen we de camperbaas die enorm moet lachen bij het horen van ons avontuur. Hij nodigt ons gelijk uit voor de volgende avond: oudjaarsavond. 'Het wordt een gezellig samenzijn buiten, met oliebollen, warme chocolademelk en glühwein. We steken de vuurkorven aan en, als het weer het toelaat, spelen mijn vrouw en ik op de midwinterhoorn.'

Dat klinkt aanlokkelijk en dat is het ook, blijkt de volgende avond. Het weer zit mee, het vuur is aangestoken, de muziek klinkt prachtig en de maan schijnt vol tussen de bomen.

'Het lijkt wel een sprookje', fluister ik naar Rienk.

Het aftellen begint. Middernacht. Een nieuw jaar begint. Er wordt gelachen en gekust; het glas geheven. In groepjes van twee. De angst voor corona blijft.

In de verte knalt het en schieten de vuurpijlen en ander vuurwerk omhoog en kleuren de lucht rood, groen, blauw, zilver en goud. 'Ik dacht dat er een vuurwerkverbod was,' zegt Rienk, 'maar hoe het ook is, het is een prachtig gezicht.'

We lopen terug naar onze camper. We hebben alle lichten aan gelaten en op het tv-scherm een haardvuur ontstoken om zo het nieuwe jaar welkom te heten. Net zoals de meeste andere campers die zich van hun lichtste kant laten zien. Met elkaar vormen we twee aaneengesloten cirkels van licht. Dit alles zorgt ervoor dat we kunnen terugkijken op een heel bijzondere jaarwisseling die we niet snel zullen vergeten.

Traditiegetrouw op Nieuwjaarsdag maken we een wandeling; deze keer naar het dorp Rijssen. Het voelt als een domper. Alleen lege straten. Geen mens te bekennen. Zelfs de lampjes in de grote kerstboom zijn uit. De enige 'attractie' is een stenen beeld van een boer met pet en klompen die een mondkapje is voor gedaan. Er zijn blijkbaar eerder toch mensen op de been geweest. 

Commentaren: 0

2. Croissantjes en paddenstoelen

Het is Kerstochtend, rond een uur of tien, als er op de deur van de camper wordt gebonsd: de boer, druipend in de regen, met twee warme croissantjes. Precies op tijd, alsof het is afgesproken. Ons ontbijt staat klaar, de koffie en thee ingeschonken. We zouden net aanschuiven. Het enige waar het aan ontbreekt zijn croissantjes...

Het is een van de prettige herinneringen die we hebben aan de camperplaats in Lhee met een mooi uitzicht op een klein meertje. Een heen-en-weer zwabberende kerstboom van draad en lampjes weerspiegelt in het water. Om ons heen de andere camperaars, de een met een nog mooier versierde camper dan de ander. Slingers,minikerstboompjes, knipperende lampjes, verlichte sneeuwpoppen, spiegelhoesjes; alles blinkt ons tegemoet. Er is zelfs een camper die een complete slideshow afspeelt op de witte lak van zijn onderkomen. Die is van een artiest, een zanger die normaliter zijn geld verdient met het zingen van smartlappen aan de Spaanse kust. Vanwege corona zit hij noodgedwongen thuis, oftewel in zijn camper, en schrijft daar nieuwe songs. Net als ik eigenlijk. Alleen maak ik tekeningen, over het verloop van de coronacrisis.

Tussen de buien door lopen we langs kale bruine en vooral natte velden naar het nabij gelegen Dwingeloo. Met de vele verlichte kerstbomen en kerststal op het groene plein een oase in alle grauwheid. Aan dit plein ligt ook een supermarkt, waar we onze boodschappen doen. Vanaf de camperplaats is het twee kilometer heen, twee kilometer terug. Net ver genoeg om ook de terugweg, bepakt met zware tassen, als een aardig wandelingetje te kunnen omschrijven. Totdat op een dag de weersomstandigheden dit niet meer toelaten. Honderd procent regen geeft de buienradar aan. We besluiten de boodschappen te laten bezorgen en vullen op internet een behoorlijk lange lijst in, om zo de extra bezorgkosten te omzeilen. Bij het afrekenmoment barsten we in lachen uit: de bestelling kan niet eerder worden afgeleverd dan acht dagen later! Er zijn kennelijk meer mensen die op dit idee zijn gekomen.

Na een week verlaten we Lhee. We zijn inmiddels al aardig gewend aan de nieuwe leefomstandigheden en hebben de meeste camperknopjes en functies onder controle. En ook de omgeving met de Dwingeldervelder bossen en heide is al een beetje bekend terrein. We hebben zelfs de grote radiotelescoop gezien, met als souvenir twee grote ophalen in mijn nette zwarte broek toen ik achter het prikkeldraad bleef hangen.

We gaan naar Haarle, dat net als Lhee en Dwingeloo in een bosrijke omgeving ligt. De zon schijnt zowaar als we aankomen, zodat we helemaal droog het welkomstpraatje kunnen aangaan met alweer een aardige boer. De nieuwe camperplaats oogt gemoedelijk. We horen de koeien in de stal en voor ons ligt een grote groene weide met daar omheen het bos. Neergezette paddenstoelen met egels wijzen de weg naar een pad dat leidt naar een vakantiepark, waar een bescheiden supermarktje is ondergebracht. Hier mogen de camperaars ook gebruik van maken. We volgen de paddenstoelen maar het pad is ons te drassig en we nemen een ander, breder en beter begaanbaar pad. Het is druk in het bos met heel veel bikers. De andere kant oogt lieflijker, maar de doorkruising van een spoorwegovergang en autoweg maken het bos toch iets minder idyllisch dan voorzien. 

De camperplaats blijft top. 's Nachts is het stil en aardedonker en gek genoeg zijn het – met de jaarwisseling in het vooruitzicht – de stilte en de donkerte die ons afschrikken. Iets meer reuring is gewenst. We struinen internet af en vinden een camperplaats in Rijssen die leuke dingen in petto heeft. Oliebollen met glühwein, vuurkorven en een optreden met midwinterhoorns. Alle drie de aspecten weten ons te verleiden. We starten de motor en gaan op pad. Op naar de derde camperplaats!

Commentaren: 0

1. Bubbel

Het is niet de mooiste dag, waarop wij onze nieuwe camper mogen ophalen in Onna. 21 december 2020, de kortste dag in het jaar en midden in de coronacrisis. Het plan is om meteen vanuit de dealer naar een camperplaats in de buurt te rijden. Veel bagage meenemen is dus een vereiste, want we weten niet hoe lang ons eerste reisje door Nederland gaat duren.

Terwijl wij de zware tassen stapelen op het karretje, dat altijd in de gemeenschappelijke tuin van ons appartement in Sint Annaparochie voor zulke situaties klaarstaat, horen we dat onze overbuurman die nacht is overleden. Zo'n bericht doet de opwindende reiskoorts natuurlijk gelijk een aantal graden dalen. Na een praatje met de conciërge en de ergste schrik te boven, stouwen we alle spullen in de camperbus. Met weemoed, want die heeft ons toch wel mooi zes jaar lang door Europa vervoerd; van oost naar west, van noord naar zuid.

Onderweg verruilen we een zonnig Friesland voor een zonnig Drenthe. De dealer heeft de koffie klaar en met hem mijmeren we over alle mogelijkheden die ons staan te wachten. Niet te lang, want er is werk aan de winkel. Een rondleiding van maar liefst anderhalf uur door en om ons nieuwe huisje van 7.40 meter lang, 2.30 meter breed en 3.10 meter hoog: een grote 'witte koelkast' met een luxe hotelinrichting. Niet direct de droom die we voor ogen hadden, maar veel anders is er niet op campergebied, zeker niet als je er een beetje comfortabel in wilt toiletteren en douchen. De gezelligheid moeten we er zelf in brengen.

Nooit geweten dat er zo veel te vertellen valt over het gebruik van een camper. Bij elk luikje - of het nu over schoon of vuil water, het cassettetoilet, de brandstof of de gasflessen gaat - staan we zeker vijf minuten stil. En elke luikje heeft een slot. Binnen is het al niet veel beter. Een controlepaneel voor water en elektriciteit, een omvormer, een kastje voor de instelling van boiler, kachel, gas- en elektriciteitsverbruik, temperatuur en ventilator, de bediening van de televisie, de schotel... Vakjes op de vloer met daaronder laadruimtes, accu's, watertanks, de kachel. Een inklapbaar trapje, een stuur met met meer dan tien knopjes, de boordcomputer met navigatie en radio. Ik weet zeker dat ik wat vergeet. Kortom, het duizelt ons compleet als we de spullen uit de camperbus overladen naar de garage van het nieuwe onderkomen. Ook zoiets, waarover ik me verbaas: de relatief kleine laadruimte achterin die aan twee zijden kan worden geopend en onder meer bedoeld is voor het stallen van de fietsen, heet garage!

En daar staan we dan. Klaar voor een nieuwe episode in ons leven die wordt vereeuwigd door de dealer. Hij maakt er een klein feestje van. We krijgen bloemen en een fles wijn. Tot slot de betaling die de hele middag niet van de grond wil komen. Banken worstelen met storingen en wij worstelen mee. Net als het voorzichtig begint te druppelen, krijgen we contact en kan ons avontuur echt beginnen.

Uitgezwaaid door de dealer rijden we weg. De regendruppels hebben zich vermenigvuldigd en stromen in grote getale naar beneden. Rienk rijdt. Op de proefrit na de eerste keer dat we zo'n grote bak besturen. Doodeng. Het begint al te schemeren, de straten glimmen en we zweten al bij het zien van een tegenligger. De bediening van de boordcomputer blijkt een te grote uitdaging. Met de smartphone op mijn knieën schreeuw ik de wegaanwijzingen boven het geluid van de motor en de regen uit. Na een goed halfuur bereiken we de camperplaats in Lhee, nog maar een halfjaar in gebruik. Voordat we een plekje opzoeken, halen we water. 180 liter. Kunnen we voorlopig mee vooruit.

Een diepe zucht en een gevecht met de 'bearlock' verder, geven we elkaar een high five. De eerste hobbel is genomen. Het inrichten van de kastjes kan beginnen. In de stromende regen en soppend in de modderpoel die door het alsmaar vallende water is ontstaan, slepen we de belangrijkste zaken naar het 'voorhuis'. Daarna is het tijd voor de avondmaaltijd. Brood dit keer, want veel puf hebben we niet meer. Na een kort televisieavondje zoeken we ons bed op. Een Kingsize met schoteltjes. Koninklijk lekker. Moe en voldaan luisteren we naar het tikken van de regen. Wen er maar vast aan, schiet het door me heen. Voor de komende week is geen ander weer voorspeld. Maar dat geeft niets. Wij zijn beschermd, tegen regen én corona. Wij hebben onze bubbel gevonden.   

Commentaren: 1
  • #1

    Jacqueline (dinsdag, 25 mei 2021 13:41)

    Wat een stoere beslissing zo'n bubbel te maken heel veel geluk samen!